Berichten

Ik was veel kleiner dan de stad
en schrok nog van bedelaars
waar altijd iets niet meer aan zat.
De winkels waren hemelhoog met
witte bergen onderbroeken, waarin
gegraaid werd van het zoeken tot
handen hadden. Ik vergat de weg
die ik niet had geleerd en
liep verkeerd. Een vrouw, gerimpeld
van bestaan, vroeg of ik met haar op
wou gaan, want anders viel zij om.
We liepen samen krom,
als een gezinnetje van zotten.
Zij wist de weg, ik droeg haar oude botten.
Joke van Leeuwen. Uit: Vier manieren om op iemand te wachten. Querido, 2001. 
Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Wachten
Zit ik weer
op de stoep

te wachten tot ik wegloop
of terug naar binnen ga.

Soms kijkt mijn zusje
om de hoek, ben ik er nog?

Altijd krijg ik zo
een hekel aan mezelf.

Ook al méén ik
dat ik hier zit

en zo meteen
echt wegloop,

echt eindelijk wegloop,
nooit meer terugkom

toch heb ik liever
een zusje dan niemand.
Diet Groothuis. Uit: Waar ik ben, ill. Merel Eyckerman. De Eenhoorn, 2012.