Berichten

De rovers en de maan
Er waren eens drie rovers en ze woonden in een hol.
Het was erg ongezellig, want het stond er vreselijk vol.
Er stonden koffers vol met goud en kisten diamanten
en zakken vol met zilverwerk, in oude ledikanten.
Ze zeiden treurig alle drie: Wat akelig is dat.
We willen weer gaan roven, maar we weten niet meer wat.
Ze piekerden en piekerden en krabden op hun hoofd.
Ze hadden alles, alles, alles, alles al geroofd.

’t Was donker in het hol, maar door een kiertje scheen de maan,
een mooie ronde volle maan. Ze keken elkander aan…
De maan! Dat was een prachtidee. Díe zouden ze gaan roven!
Naar boven, jongens, zeiden ze. Onmiddellijk naar boven!
Ze namen de toren van Lutjebroek en die van Overschie
en die van Geldermalsen en toen hadden ze er drie.
Die torens zetten ze op elkaar. Ze klauterden naar boven.
Ze waren vastbesloten om die nacht de maan te roven.

Twee rovers deden hun ogen dicht, omdat ze duizelig werden.
Pak jij ‘m maar. Doe jij het maar! zo zeiden ze tegen de derde.
De derde rover nam de maan en klauterde naar benee.
Kijk uit! Kijk uit! En hou ‘m vast, zo riepen de andere twee.
De maan was zwaar en spiegelglad, en toen opeens, wat stom,
hij liet ‘m uit z’n handen glijden – rommelebommelebom! –
De maan viel naar beneden en kwam met een plons terecht,
zo ergens in de buurt van Loenen, midden in de Vecht.
Het gaf een sisser: Sssst en SSSST! Toen was het stil als ’t graf.
Zodat we kunnen zeggen: Dat liep met een sisser af.

Gelukkig is er ergens (ja, ik weet niet of je ’t weet)
een groepje oude heren, een commissie, en dat heet:
Commissie ter Bevordering der Belangen van de Maan.
Die keken net naar boven en ze zagen ‘m niet staan!

De maan is weg! zo riepen ze. Wat moeten we nou doen?
We kunnen toch niet leven zonder maan met goed fatsoen?
Maar weet je wat? Het is nog niet zo’n vreselijke strop:
We hebben nog een oude maan. Die hangen we wel op.

De rovers kropen in hun hol, totaal versuft van schrik.
Daar zitten ze te bibberen, tot aan dit ogenblik.
En jullie weet nu allemaal: de maan die je ziet staan
is eigenlijk de echte niet. ’t Is een reserve-maan.
Annie M.G.Schmidt. Uit: Een vijver vol inkt. De mooiste kindergedichten van Annie M.G. Schmidt. Met tekeningen van Sieb Posthuma. Querido, 2011.
“De mooiste kindergedichten van Annie M.G.Schmidt” staat er op de kaft van dit nieuwe boek. 
Zijn het echt haar mooiste kindergedichten? Daar kun je lang over praten. Maar waarom zou je?
Sebastiaan, Dikkertje Dap, Ik ben lekker stout, Het fluitketeltje en De heks van Sier-kon-fleks staan erin. De ridder van Vogelenzang. Het Stoute-Kinder-Huis en De lapjeskat. 
Allemaal hebben ze een nieuw gezicht, bedacht door Sieb Posthuma. Dat is gek, al die oude bekenden zien er opeens anders uit, Daar moet je even aan wennen.
Maar oh wat een mooie, feestelijke tekeningen zijn het. Het menselijk tekort spat van de pagina’s; onschuld, schrik, dikdoenerij, ijdelheid, schaamte en vasthoudendheid lachen je toe. Sebastiaan die met een vrolijke grijns de bezem uitdaagt, die hem vlug in de stofzuiger laat verdwijnen, de andere spinnen huilend achterlatend. De sprookjesschrijver, als een bedachtzaam ontdekkingsreizigertje zijn kroontjespen in zijn tuinvijver vol inkt dopend. Bladzijden vol springerige, eigen wezens, elk gedicht zijn eigen sfeer. Posthuma heeft prachtig werk geleverd.
Is er niks te klagen? Jawel. Het omslag is erg  donker, dat vinden kinderen meestal niet leuk. De tekening bij ‘Lekker Stout’ had spannender gekund. Er is altijd iets te vinden als je wilt, maar alles samen genomen is het  een heerlijk boek. 
Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

‘Hoi, Schildpad, slome duikelaar!’
riep Haas, de plaaggeest, keer op keer.
Totdat de schildpad dacht: ’t wordt tijd
dat ik die haas een lesje leer.

Hij zei: ‘Ik wil een wedstrijd doen.
Zie je dat hek daar, in de wei?
Ik wed graag om een winterpeen
dat ik er eerder ben dan jij.’

‘Je lijkt wel gek, maar ik doe mee,’
zei Haas. ‘Ik hou wel van een grap!’
Meteen ging hij er – roef – vandoor.
De schildpad deed geen enkele stap.

De haas sprong pijlsnel door de wei
en kwam al spoedig bij het hek.
Daar liep de schildpad voor hem uit!
Hoe kan dat?, dacht de haas. Wat gek!

De schildpad had de grootste schik:
nu werd de haas een keer geplaagd.
Een half uur later kwam zijn broer.
‘En?’ vroeg die. ‘Is ons plan geslaagd?’

‘En of! De haas heeft niets gemerkt.
Dat is natuurlijk niet zo raar.
We zijn tenslotte tweelingbroers
en lijken sprekend op elkaar.’
Fabel De haas en de schildpad in: Boven in een groene linde zat een moddervette haan. Op rijm gezet door Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen met prenten van Sieb Posthuma. Gotttmer, 2008.

Boven in een
groene linde
zat een
moddervette haan.
Vos liep langs en
dacht: Wat lekker!
Hoe krijg ik hem
daar vandaan?

‘Lieve haan, ik
deed vaak rottig
en dat was niet
mooi van mij.
Ik wil dolgraag
vrede sluiten.
Kom, dan leggen
we het bij.’

‘Vrede?’ vroeg de
haan wantrouwig.
‘Je bedoelt een
soort verbond?
Geldt dat dan
voor alle dieren,
ook bijvoorbeeld
voor de hond?

Kijk, daar komt hij
net de hoek om,
zie je wel,
die Deense dog?’
Toen begon de
vos te rennen
en hij rent
waarschijnlijk nog.
Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen. Uit: Boven in een groene linde zat een moddervette haan. Tekeningen Sieb Posthuma. Gottmer, 2009.
75 fabels, prachtig op rijm gezet en geïllustreerd. Het boek heeft het Gouden Penseel 2009 gewonnen maar jij kunt dit geweldige boek winnen.  Schrijf je eigen fabel en stuur het naar stuurnaardiet@gmail.com. Onder de beste inzendingen mag ik van de uitgever DRIE exemplaren van dit boek verloten. Let op: Je kunt insturen tot 20 december 2009. Je fabel mag niet langer dan 20 regels zijn! Vergeet niet je naam, adres en leeftijd erbij te zetten.