Berichten

’s Keizers kleermaker, mijnheer Grijs,
had zijn zaak naast het paleis.
Zo kon de keizer wel twaalf keer
elke dag naar hem heen en weer.
Want hij was verzot op kleren:
pakken, mantels, hoeden, veren,
gestikte vesten van rode zij,
paarlen knoopjes op een rij.
Het paleis was vol goud en pilaren,
en lakeien en kamerdienaren,
die de hele dag niets anders deden
dan persen, strijken en de keizer kleden.
Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn
voor keizers met ’n minibrein.
Bij hem kwamen op de eerste plaats
zijn kleren, en de mensen ’t laatst.
Neem nou de lakei die per ongeluk
iets morste op een kledingstuk.
Hij werd dadelijk in het openbaar
opgehangen aan zijn haar.
Een andere lakei, die jammer genoeg
bij het borstelen een pluisje oversloeg,
werd levend gekookt, net als een kreeft,
iets wat men maar zelden overleeft…
Bekende sprookjes en verhalen als De nieuwe kleren van de keizer, Ali Baba en de veertig rovers, Hans en Grietje en Aladdin en de wonderlamp venijnig herverteld en op rijm gezet door meesterverteller Roald Dahl, afgewisseld met onzingedichtjes als: 
‘Iene, Martine, Contramine
hoe staat je tuintje erbij?’
‘Ik woon net in een torenflat,
dus vraag dat niet aan mij.’
Dahls licht kwaadaardige verteltoon sijpelt vrolijk door de teksten , de oorspronkelijke geweldige tekeningen van Quentin Blake zijn gelukkig gehandhaafd. In de vertalingen hapert het ritme soms wat en jammer dat het omslagontwerp is veranderd, het oude had meer pit. 
Tien procent van de auteursopbrengst van dit boek gaat naar de Roald Dahl Foundation, die hulp, geld en zorg geeft aan kinderen met hersen-, bloed- en leesvaardigheidsproblemen.
Rijmsoep (opnieuw uitgegeven). Roald Dahl. Illustr. Quentin Blake. Vertaling Huberte Vriesendorp. De Fontein, 2011.

En dan nu het vervolg op Roodkapje:

Op een der eerste lentedagen
voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan.
Ze deed open, zag hem staan
met scherpe tanden, valse lach.
Hij gromde grijnzend: ‘Goedendag.’
De arme grootmoe schrok zich naar:
Straks eet hij me op met huid en haar.
Ze sloeg de spijker op de kop
want hij vrat haar in één hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel,
hetgeen de wolf maar slecht beviel.
‘Ze is te weinig,’ klaagde hij.
‘dat is toch geen heel maal voor mij.
Na zo’n schriel scharminkel moet je
als wolf minstens nog een toetje.’
Terwijl hij heel boosaardig lachte,
zei hij: ‘Ik denk, dat ik zal wachten
tot Roodkapje, ’t mals, jong, ding,
terugkomt van haar wandeling.’
Grootmoe’s kleren, moet je weten,
die hij natuurlijk niet op had gegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken:
haar jas, haar muts en ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar.
In grootmoe’s stoel zat Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw
en vroeg aan Wolf tradititegetrouw,
‘O grootmoe, wat heb je ’n grote oren,’
‘Dan kan ik je beter horen.’
‘Wat ’n grote ogen!’ zei ze zoet.
‘Dan kan ik beter zien wat je doet,’
zei Wolf, terwijl hij naar haar staarde,
en watertandde en likkebaarde.
Na dat karkas, vol bot en haar,
dcht hij, smaakt zij als kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei:
‘O wat een mooie bontjas heb jij!’

‘Fout!’ riep Wolf haar nijdig toe.
‘Wat heb je grote tanden, grootmoe,’
‘dát moet je zeggen, ezelskop.
Nou ja, dan eet ik je zo maar op.’
’t Kind lacht en trekt in een wipje
een revolver uit haar slipje.
Ze richt hem op het grote beest
en beng, beng… die is er geweest!
En week of wat later, ik weet ’t nog goed,
heb ik in het bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je,
zo zonder cape en vrolijk rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel
mijn prachtige bontjas van WOLVENVEL!’
Roald Dahl. Uit: Gruwelijke rijmen. Ill. Quentin Blake. Fontein 2008. Boek is jammer genoeg niet meer leverbaar, dus je moet in antiquariaten zoeken. Vertaling: Huberte Friesendorp van: Roald Dahl’s revolting rhymes. Cape, 1982.
Er is net een vuistdikke biografie over Roald Dahl verschenen van Donald Sturrock: http://www.boeken-over-boeken.nl/?p=3736