Berichten

Tante Nel is niet mijn tante,
maar ze is het wel geweest.
Tante Nel was ooit mijn tante.
Nu is tante Nel een geest.

Altijd als ik jarig ben,

komt ze op bezoek.
Dan wil ze ook een kopje thee

en een plakje koek.

Ze komt niet door de voordeur.

Ze belt niet aan, welnee.

Ze zweeft gewoon naar binnen
en neemt een kopje thee.

Niemand kan haar horen,
niemand kan haar zien,
behalve ik. Daar zit ze,

naast tante Evelien.

Ze kijkt nieuwsgierig om zich heen
en blijft niet al te lang.
Ze drinkt haar thee, ze eet haar koek
en zweeft weer naar de gang.

Ik doe de voordeur open,

maar tante is al weg.
Ik zie nog net haar hoedje
verdwijnen door de heg.

Het is een vrolijk hoedje,
een hoedje met een veer.
‘Dag, Bette!’ roept het hoedje.
‘Tot volgend jaar maar weer.’
Bette Westera. Uit: Mijn zusje achter het behang. Familiepoëzie. Ill. Barbara de Wolf.  De Fontein, 2008. Cd met liedjes met muziek van Diederik van Essel.

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!

Kijk, daar staat ze. Zonder jas.
Wist ze niet hoe koud het was?
Wist ze niet hoe hard het vroor?
Waarom ging ze ervandoor,
zonder sjaal en zonder wanten?

’s Avonds stond in alle kranten:
’t Wordt vannacht min zeventien!
Heeft ze dat soms niet gezien?

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!

De politie heeft ter plekke
geprobeerd haar los te trekken.
Heeft geduwd en heeft gerukt,
maar het is ze niet gelukt.
Nu moet tante Trees daar blijven
tot het dooit.

Alle journalisten schrijven:
Winters weer geeft overlast:
In het bos vriest dame vast!

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!
Ze kan er bijna uit! Het dooit namelijk. Goed idee, het is tijd voor zingende merels en warme lentezonnetjes, als je het mij vraagt.
Bette Westera & Barbara de Wolf in Mijn zusje achter het behang. De Fontein, 2008. Met cd met liedjes, muziek Diederik van Essel.

Mijn zusje was als kleuter
een heel vervelend kind.
Zo’n kind dat stoute dingen doet
en kattekwaad verzint.
Ze gaf nooit braaf een handje.
Ze zei nooit dankjewel.
Ze drukte voor de grap
bij alle buren op de bel.

Ze klom in alle bomen,
ze klom zelfs op het dak,
tot aan de hoogste schoorsteenpijp.
Dat kon ze met gemak.
Daar zat ze, in de dakgoot,
net als Sinterklaas
en riep: ‘Ik wil een boterham,
maar niet met pindakaas.

Een boterham met muisjes,
komkommer en tomaat.’
Mijn moeder keek verschrikt omhoog
en riep ten einde raad:
‘Ik kan er niet meer tegen.
Ik houd het niet meer uit!’
Toen kwam mijn vader van zijn werk
en nam een kloek besluit.

Hij leende bij de buurman
behangsel en een kwast,
klom langs de regenpijp omhoog
en greep mijn zusje vast.
Hij greep haar bij haar lurven,
en hij droeg haar naar de gang
en plakte haar met ferme streken
achter het behang.

Daar is ze blijven zitten
tot eenentwintig maart.
En of het iets geholpen heeft?
Natuurlijk, uiteraard.
Ze doet niet meer vervelend,
is nooit meer onbeleefd
en geeft nu braaf een handje
(dat nog wel een beetje kleeft).
Bette Westera. Uit: Mijn zusje achter het behang. Illustraties Barbara de Wolf. De Fontein, 2008. Achter in het boek zit een cd met de gedichten op muziek.