Berichten

Kijk, daar heb je de kleine groenling. Wat een leuk vogeltje.
Maar waarom kijkt hij zo ongelukkig?
Dat is eigenlijk best gek, want het is de mooiste dag van de lente. Alle vogels zijn druk in de weer met hun nest.
[…]
Alle vogels zingen, kirren, koeren, gillen, gieren, tjilpen, snateren, krassen, klepperen en tjotteren. Maar de kleine groenling zingt niet mee.
[…]
Jan Paul Schutten. Uit: Het verlegen vogeltje. Tekeningen Liset Celie.
Erg grappig en mooi uitgevoerd prentenboek over de oudste geschreven zin in ons taalgebied: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?’ (zijn alle vogels nesten begonnen behalve jij en ik, wat wachten we nu?)
De kleine groenling is te verlegen om het groenlingvrouwtje te vragen of zij een nestje met hem wil maken en vraagt de merel of zij het voor hem wil vragen. Door het gefluit van al die lentevogels hoort de merel niet goed wat hij wil en ze vliegt meteen naar de kauw om te vragen of die op het hoofd van een ekster wil springen. Daar herhaalt de verhaallijn zich, en de kauw vliegt naar de roek, die naar de spreeuw vliegt, die naar de groene pauw vliegt en zo verder, steeds opnieuw met een verkeerd verstane nieuwe vraag. En dat arme groenlingmannetje vliegt overal maar hijgend achteraan, tot ze bij het groenlingvrouwtje komen en hij alsnog zijn moed bij elkaar raapt. Eind goed, al goed.
Fijn boek over taal, over vogels, over natuur en over liefde, om steeds opnieuw voor te lezen en heel goed te bekijken.
Leeftijd 4+

Een tulpenbol met tulp en al
ligt weerloos op het pad.

Een egel rustig ritselend
onder stapels eikenblad.

Kiemen doen hun stinkende best
tussen keutels paardenmest.

Een hommel op een goudsbloem
voert zoemend zijn gesprek.

Een worm stribbelt tegen
in een hongerige bek.

Drie slakken laten gaten na
in alle blaadjes babysla.

Een virus is op oorlogspad
gaat grenzeloos zijn gang.

De lente komt en is en blijft
voor niets en niemand bang.
Elle van Lieshout. Uit: Dichter. Gedichten voor kinderen van 6-106. Corona, de wereld staat stil en op zijn kop. Tekeningen Leandra du Pau. Plint, 2020.
Leeftijd 6+

Dag meneer de koning,
wat gaat u doen vandaag?

Eerst hang ik de vlag uit
voor mijn moeder in Den Haag.

En dan meneer de koning,
wat doet u verder deze dag?

Dan eet ik een beschuitje
met een bergje hagelslag.

En daarna meneer de koning,
als u uitgegeten bent?

Dan reis ik met mijn vrouw
naar het pittoreske Purmerend.

En daar meneer de koning,
wat doet u zoal op bezoek?

Ik wuif en ik schud handen
en hap hier en daar wat koek.

En hoe meneer de koning,
besluit u Koningsdag?

Ik ga vroeg mijn bed in,
maar eerst strijk ik de vlag.
Koos Meinderts. Uit: De liedjesalmanak lente en zomer. Illustr. Annette Fienieg. Rubinstein, 2014.
Leeftijd 3+

Ik weet dat de lente komt,
ik weet het nu heel zeker.
Ik weet dat de lente komt.
Waarom? Waarom? Waarom?
Wie heeft je dat verteld?

De lammetjes, de lammetjes.
Wie heeft je dat verteld?
De lammetjes in het veld.

Ik weet dat de lente komt.
Ik weet het nu heel zeker.
Ik weet dat de lente komt.
O ja? O ja? O ja?
Wie heeft je dat gezegd?
De bloemetjes, de bloemetjes.
Wie heeft je dat gezegd?
De bloemetjes langs de weg.

Ik weet dat de lente komt,
ik weet het nu heel zeker.
Ik weet dat de lente komt.
Echt waar? Echt waar? Echt waar?
Wie kwam met dat gerucht?

De vogeltjes, de vogeltjes.
Wie kwam met dat gerucht?
De vogeltjes in de lucht.
Koos Meinderts. Uit: De liedjesalmanak. Lente & zomer. Ill. Annette Fienieg. Rubinstein, 2014.
Eindelijk is de lente- en zomerversie van de Liedjesalmanak er dan ook. Heerlijk boek, met veel nieuwe seizoensliedjes van de hand van de meester van de liedjespoëzie, wederom prachtig dromerige tekeningen van Annette Fienieg en een cd met liedjes gezongen door Peer de Graaf en Leine op muziek van Thijs Borsten.
Leeftijd 3+

Ik wou dat het altijd zomer was
zomer was
dat we dreven op een luchtbed
dat we zweefden op een wolk.

Ik wou dat het altijd herfst was
zomer herfst was
dat we blauwe bramen plukten
dat we blauwe monden kregen.

Ik wou dat het altijd winter was
zomer herfst winter was
dat we vroren tot we kraakten
dat we schaatsten tot we gloeiden.

Ik wou dat het altijd lente was
zomer herfst winter lente was

dat we renden door de regen
dat we lachten als een liedje.

Ik wou dat het altijd
zomer herfst winter lente was
dat het nooit was afgelopen
dat het weer begon.

Jos van Hest. Uit: Zwemmen met je kleren aan. Scheurkalender Jeugdpoëzie: 1 juni 2011. Samenstelling Karel Eykman en Ineke Holzhaus. Van Gennep, 2010.

het is lente, de dakpannen
drogen in de zon
we hebben lang gewacht
terwijl we in de auto zaten
en de regen hoorden op het dak
(ook dat was tijd die wij
genomen hebben)

het is lente, in het bos
ontkrullen zich de varens
als de halzen van violen
en aan de palen hangen
groene druppels isolatieglas
te glinsteren

het is goed om nu te wachten,
te kijken en te luisteren

en te weten dat er dingen zijn
om het zonlicht op te vangen
ze deden dat al voor wij
hier verschenen, en ook als wij
er niet meer zijn, het licht
zal niet verloren gaan.
Mirjam van Hee. Uit: De bramenpluk. De Bezige Bij, 2002.