Berichten

Verbeeld je bij kaarslicht de stal op die avond,
gebruik om de kou daar te voelen wat neervalt
in vlokken, om honger te voelen de afwas
en voor de woestijn al wat draait rond de aardas.

Verbeeld je de stal in de nacht na die avond,
Maria en Jozef en, meer op de voorgrond –
je rimpels zijn prooi van een handdoek geworden –
het slapende kindje in doeken gewonden.

Verbeeld je drie koningen, drie karavanen,
drie stralen veeleer die de ster nader kwamen,
kamelen, hun vracht, het geklingel van bellen
(het kindeke had nog niet veel te vertellen,

verdiende geen galmende klokken op voorhand).
Verbeeld je de Heer, die op peilloze afstand
Zichzelf voor het eerst in de Heiland herkende:
een dakloze in een geboren ontheemde.
Joseph Brodsky. Uit: Kerstgedichten. Vertaling uit het Russisch door Peter Zeeman. De Bezige Bij, 2005.

We waren van het voetbal teruggekeerd,
we hadden een treinstel verruïneerd
en we liepen nog wat door de angstige stad
en toen riep er eentje: ‘Hé! Zie je dat!
Daar is verdomme
een ster gekomme!’

Toen riep er een ander: ‘Herejee,
dat is een nieuw geintje van de ME:
nu jagen ze ons weer op de vlucht
met helicopters, hoog in de lucht,
en er zijn honden
aan vastgebonden.’

Maar je hoorde geen motor, het bleef zo stil,
en min of meer tegen onze wil
liepen we mee met die zwervende ster
en Japie zei nog: ‘Ik zie al van ver
waar die ster heengaat:
Tweede Jan Steenstraat.’

Een dronken kerel zong er een lied:
‘Driehoog achter is het geschied.’
En hij had gelijk in zijn dronkenschap,
dus wij liepen over een donkere trap
zachter en zachter
naar driehoog achter.
Willem Wilmink. Uit: Verzamelde liedjes en gedichten. Prometheus, 2010.

Vrijdag kwam de kerstboom, netjes in een pot
geplant. Daar was mama met het engelenhaar,
de ballen en precies als ieder jaar mocht papa
het snoer van de lampjes weer ontwarren.

Wij voltooiden takken wonderschoon
met snoep en koek, medailles, alle speelgoed
met een gat erin of met een haak eraan.
Namen de kerststal in gebruik.
Kleine broer plaatste naast Jozef en Maria
en hun pasgeboren zoon, het kribbetje en de ezel
een hond en een tijger. En Sinterklaas.
Grote broer reed auto’s af en aan,
de stal werd een garage waar voor eerste hulp
de herdertjes bij nachte stonden.

Achter de stal een fel-oranje megawup,
als een reusachtig ondergaande zonne.
F. Starik. In: Songloed. Nieuw Amsterdam, 2007.