Berichten

250 gram per dag
Toonbank
Op zoek naar de ultieme liefdesverklaring
loop ik haastig binnen

‘deze woorden hier zijn nog niet
eerder gebruikt,’ zegt de verkoper,
wijzend op een stoffig doosje –
ze moeten echt allemaal
nog uitgesproken worden’
en kijkt mij ongeduldig vragend aan

ik mompel iets twijfelachtigs,
weet niet of dit de juiste woorden
zullen zijn en kijk verlegen om me heen

in de winkel zie ik de bak met
tweedehands zinnen, planken
achterhaald geluk, glazen potten
vol oud zeer en in de etalage
nog een complete set
hebben en houden

ik weet, er is geen tijd te verliezen en als
de kassa rinkelt, overhandig ik mijn kloppend hart

-‘zal ik ze voor u inpakken?’
-‘ja, heel graag… het is nog een verrassing’
Anke Herder. Uit: De poëziegids, inspiratiebronnen voor poëzielessen. (Het Poëziepaleis, 2012)
In dit gedicht zijn splinternieuwe, knisperend verse woorden gewoon te koop.
[…] We kunnen putten uit een oneindig aantal woorden. Dichters gebruiken er meestal maar weinig om veel te zeggen, maar wel precies de juiste. ‘Poëzie is de kunst om de zee in een glas te vangen,’ zei Italo Calvino.
Zet poëzie op de Schijf van Vijf. Wie weet leren we dan wat minder oeverloos te leuteren. De hoeveelheid groente is onlangs opgeschroefd naar 250 gram. Dus laten we over het leesvoer zeggen: 2,5 gedicht per dag. Bij aanhoudend zwetsen de dagelijkse portie poëzie naar boven afronden.
Hans en Monique Hagen. Uit: Poëzie Hardop. 35 columns met 95 gedichten van 65 dichters. Illustraties Maartje Kuiper. Querido, 2019. 
Hardop poëzie voorlezen aan elkaar, vooral aan kinderen, daar maakten Hans en Monique Hagen zich in hun wekelijkse columns in het Parool gedurende hun Nederlandse KinderboekenAmbassadeursschap op een creatieve, inspirerende en overtuigende manier hard voor: ‘Van sporten wordt je lijf soepel, van lezen word je lenig met taal. Dat geldt vooral voor poëzie. Lezen is net zo belangrijk als gezond eten en tandenpoetsen.”
Zou het helpen als hun boek aan alle vaders en moeders, juffen en meesters wordt uitgedeeld? Vast.

Het begon allemaal met een ei.
Een ongedacht groot ei.

Je kon het niet missen.
Behalve dat er nergens ogen waren.

Geen armen, staarten, huid of haar
adem, wortels of wind.

Geen regen of rots.
Niks was er. Behalve het ei.
[…]
Diet Groothuis. Uit: Het ei. Illustraties: Ingrid & Dieter Schubert. Hoogland & Van Klaveren, 2019. 
Hoe alles ooit is begonnen, daar kunnen kinderen heel goed over nadenken. 
Leeftijd 5+

Mijn moeder is vroeger een poes
geweest, denkt ze weleens, ze wil
haar staart terug, een zachte lange

staart die door een gaatje in haar rok
of broek naar buiten komt en die ze
om haar middel kan slaan of laten

hangen om ermee te spelen en anderen
te plagen. Het lijkt me heerlijk, zegt ze
om op die staart te zitten, hem tussen

mijn tenen zachtjes te knijpen, sierlijk
over de grond te slepen, dingen te laten
doen waar ik me nu nog voor schaam.
Remco Ekkers. Uit: De secretarisvogel schrijft. Alle diergedichten. Tekeningen Sytse van der Zee. Uitgeverij kleine uil, 2019.
Zo aanstekelijk kunnen schrijven over een reiger in sluipgang, moederschapen die hun lammetjes naar een andere wei zien vertrekken, de versiertruc van een spin, dat kan Remco Ekkers als geen ander. In sobere, bescheiden taal schildert hij zijn liefdevolle portretjes zo, dat je dat dier wilt zijn, dat je voelt wat het meemaakt, denkt wat het dier denkt.
Heerlijke poëzie voor gevorderde en nieuwe gedichtenlezers en -liefhebbers.
Leeftijd 6+

 

 

 

Leto
Vluchten moest ze
met haar tweeling
die maar net
geboren was.
Zij verborg de
beide baby’s
in de plooien
van haar jas.

Op haar tocht
had godin Leto
zelf verschrikkelijke
dorst.
En de kleintjes
dronken tot
de laatste druppel
uit haar borst.

Onverdraaglijk
was de hitte.
En de zon verschroeide
’t veld.
Dit houd ik
niet vol,
dacht Leto bitter.
Ze was uitgeteld.
[…]
Maria van Donkelaar. Uit: Zo kreeg Midas ezelsoren. De mooiste Metamorfosen van Ovidius. Prenten van Sylvia Weve. Gottmer, 2019.
Al de bekende verhalen uit de klassieke oudheid, van Orpheus en Eurydice, Narcissus,  Europa, Daedalus en koning Midas, maar ook de minder bekende, van Leto, Andromeda en Battus, heeft Maria van Donkelaar  herverteld op ritme en rijm, met verrassende vondsen en in zeer eigentijdse taal (‘Heb jij soms wat aan je oren?’ vroeg Apollo gepikeerd).

Knap gedaan, af en toe licht geforceerd, maar voor jongere lezers een perfecte manier om kennis te maken met deze mythes en personages.
Voor oudere lezers handig en plezierig om zo mogelijk weggezakte kennis op te vijzelen.
Van de tekeningen van Sylvia Weve moet je houden, maar ze zijn uiterst grappig, eigenzinnig en beeldend.
Boek is  groot, luxe uitgevoerd, met full colour illustraties en leeslint.
Leeftijd: 7+

Egeltjes verjaardag
We hadden gespaard
Met zegeltjes
Voor een taart
Voor egeltjes
Verjaardag.

Maar we hadden
Op de kaart
Maar anderhalf zegeltje:
Veel te weinig
Voor een taart
Voor egeltje.

Wat te doen?
‘Kom, niet kniezen,’
Zei de bakker toen,
‘Je kan ook kiezen
Voor een tegeltje.’

Een tegeltje!
Dat is een goed idee!
En dan zetten we er iets op,
Zoveel als we mogen
Voor anderhalf zegeltje!

O wat mooi!
O wat lief!
Zei egeltje
Met in zijn hand
Het tegeltje,
En hij las
Het ene regeltje:
‘Er is er één ja’

En toen riepen we allemaal:
‘Er is er één ja!
Er is er één ja!
Er is er één ja, hoera!’
Robbert-Jan Henkes. Uit: Wit als een wat. Illustraties van Charles Michels. Querido, 2018. 
“Alles begint met een A’ , zo begint deze bundel met gedichten voor kinderen en inderdaad spat het taalplezier van de pagina’s met een enorme variatie aan gedichten als kleine sprookjes, nonsensversjes, taalspelletjes en liedjes, alles in een feestelijk ritme en rijk van klank.
Oké, er staan ook flauwe versjes bij, maar evenzeer ingenieuze gedichten als ‘Komt dat zien’ en  de ‘Paddenconferentie’: “De padden gingen praten/Maar het bleek algauw/Dat iedereen in hoge mate/Heel iets anders wou./’Ik wil een paard’ zei Ruiterpad./’Ik wil een fiets,’ zei Rijwielpad.’Ik wil een zwaard,’ zei Oorlogspad./’En ik wil niets,’ zei Hazepad”.
De gedichten richten zich expliciet op kinderen, maar worden nergens simplistisch of kinderachtig en er staan gerust onbekende woorden als ‘zwerk’ en ‘gespuis’  in het boek.

 

 

 

Flamingo
Ik slaap zoals flamingo’s staan:
met één been gestrekt, het andere
bij de knie geknakt tegen de onderbuik
als een opgeplooide blindenstok.

Op dit donzen bed, wankel in donkerroze
toen nog uitgestrekt nek aan nek
werden we langzaam twee verstrengelde
worsten, snakkend naar adem.

Flamingo’s veroveren elkaar synchroon
een hoofse paringsdans, minstens twaalf
wimperblikken een monogaam leven lang.

Een steekspel, dat we vooral kennen van televisieprogramma’s.

Eerst waren we nog grijs
nu zijn we bijna piloten
bijna een ode aan vogels.
Charlotte Van Den Broeck. Uit: Woorden temmen. 24 uur in het licht van Kila en Babsie. Grange Fontaine, 2018. 
De ondertitel van dit ingenieus vormgegeven boekje is:
poëzie ontdekken
zelf gedichten schrijven
met Kila & Babsie
op elk moment
waar dan ook
Kila & Babsie, een dichtersduo dat optreedt op literaire avonden, slams en festivals, houden zo veel van poëzie dat ze die aan iedereen gunnen. Ze koppelen  in dit boek  hun 24 lievelingsgedichten aan een tijd en een locatie “zodat je altijd overal met poëzie bezig kunt zijn”  zoals ze op hun website schrijven.
Bovenstaand gedicht van Charlotte Van Den Broek hoort bij 2 uur ’s nachts, locatie ‘in bed’  en krijgt als  toelichting van Kila en Babsie: ‘De houding van de flamingo zie je direct voor je’ ‘en die slaaphouding ook’.
Elk gedicht wordt gevolgd door verwerkingsopdrachten, simpele en minder eenvoudige, waardoor het boek voor verschillende lees- en schrijfniveaus bruikbaar is: ‘Welke dingen worden met elkaar vergeleken in het gedicht? Er bestaan ook vergelijkingen zonder de woorden ‘als’ en ‘zoals’. Kun je een voorbeeld vinden in het gedicht?

Klokrond 24 heel verschillende gedichten voor allerlei locaties zoals bijvoorbeeld ‘in het ziekenhuis’, ‘in je onderbewustzijn’, ‘op straat’, ‘in huis’, op een ‘dinsdag’ en ‘onder een appelboom’. Leuk is dat dat heel achteloze momenten kunnen zijn,  niet persé de grote zaken van het leven, die veel mensen toch vooral met gedichten associëren.
Ondertussen leggen de twee dichters ook poëtische begrippen als metrum, personificatie en enjambement uit en stimuleren de lezer tot fantasierijke denkexperimenten over de gedichten. Origineel, grappig, prachtig vormgegeven en buitengewoon bruikbaar bij het voorbereiden van een poëzieles.

 

 

Wanneer de nacht
het licht uitdoet
en de duisternis
het land bedekt
dat is de tijd dat hij tevoorschijn komt
en uit zijn sluimering wordt gewekt.

Zijn ogen gitzwart in zijn kop
sterrenlicht weerkaatst erop.
Zo struint met vlammetjes aan weerszij
het hert van de taiga rond.
Schattig?
Valt mee:
er steken twee vampiertanden uit zijn mond.

Om mee te doden?
Bloed te zuigen?
Angst te zaaien?
Af te tuigen?
Welnee.
Om zich in te vechten bij een dame.
Want op kracht komt het aan
– denken de mannen –
maar hun vrouwen letten met name
op iets anders.

Struinen de bokken door pikdonker land,
hun wapens altijd bij de hand,
wordt er door de dames flink gesnuffeld:
de geur van aarde die is omgewoeld,
mossen die zijn afgekoeld,
de geur van het doven van de dag
voortgebracht door een vleugelslag
een vermoeden van poep
een vermoeden van plas
de avonddauw op het voorjaarsgras,
de wind door een broeierig berkenwoud,
dat is het parfum waar een hinde van houdt.
Pure muskus uit een klier
van een lekker mannetjesdier.

Die geur en niets anders wil ze in haar neus.
En terwijl die macho’s met hun tanden blinken
hoor je die vrouwtjes allemaal denken:
jongens, hou die wapens nou eens op zak,
geen interesse in.
Wat we dan wel willen?
Dat jullie voor eeuwig en altijd
verrukkelijk stinken!
Bibi Dumon Tak. Uit: Laat een boodschap achter in het zand. Illustraties Annemarie van Haeringen. Querido, 2018.
Vindt Bibi Dumon Tak daar zomaar opeens een nieuw genre uit: non-fictiepoëzie. Gedichten over dieren en hun opvallende eigenschappen en bijzondere kenmerken.
Alleen evenhoevigen – dieren met twee of vier tenen –  mogen in dit boek een eigen pagina, al is de okapi het daar niet mee eens en schrijft hij een mail aan de redactie om te protesteren tegen deze vorm van discriminatie. Want “Waar zijn de neushoorn, de zebra, de tapir? […] Een hoefdier is toch een hoefdier.” Hoewel de redactie deze klacht niet ontvankelijk verklaart, staat even verderop in het boek toch een spreekbeurt van de tapir die aan het eind de hoop uitspreekt dat er ook nog eens een boek komt over de ónevenhoevigen, zoals hijzelf.
Behalve deze speelse tekstvormen staan er een contactadvertentie (van de wilde kameel), een In memoriam (voor de Pyrenese steenbok), een radio-interview (tussen de dikdik en het nijlpaard) en een oproep aan Bambi (het witstaarthert) om eindelijk eens op te groeien, in het boek. Oh en een chatgesprek tussen het wilde zwijn en haar tamme zus. En een ingezonden mededeling van de Kaapse buffel aan de toeristen die een safari plannen.
Plus een heleboel gedichten over andere evenhoevigen, die stuk voor stuk onverwachte inkijkjes in hun leven en karakter bieden.
Een rijk geschakeerd, modern, uiterst grappig en informatief boek in heerlijke DumonTaktaal en indrukwekkend passende tekeningen van Annemarie van Haeringen. Met als kers op de taart twee kleine rode laarsjes op de rug van de giraf.

Er heeft vannacht een sneeuwman
in de tuin gestaan. Een konijn kwam
tevoorschijn en keek zo lief

dat de sneeuwman ervan smolt.
Hij boog zich voorover om het konijn
teder te kussen en plotseling beet

het beest hem in zijn neus. Het rende weg
met in zijn bek de wortel die hij uit
het gezicht van de sneeuwman getrokken had.

Zo is de liefde. Je dénkt dat er
van je gehouden wordt, maar
ze gaan er met je neus vandoor.
Ted van Lieshout. Uit:  Ze gaan er met je neus vandoor. Illustraties en vormgeving Ted van Lieshout. Leopold, 2018.
Met bovenstaand gedicht begint dit weer uiterst bijzondere boek van Ted van Lieshout. Meteen erna twee witte pagina’s, gevolgd door een bezorgde doch hilarische dialoog tussen de letters zelf die deze bundel graag willen maken maar constateren dat de dichter onder de tafel ligt.
Als ze hem vragen waarom is het antwoord: liefdesverdriet. Hij wil niet meer schrijven. Zorgelijk, aldus de letters, hoe kunnen ze nou een boek maken zonder de dichter? Trouwens, waarom ligt hij eigenlijk onder de tafel en niet gewoon in bed? “Hij zegt dat hij een bijzonder mens is en zo iemand doet het anders dan gewone mensen”  krijgen ze als antwoord.
Als het verhaal in dit boek net zo waar en autobiografisch is als deze zin, heeft van Lieshout zijn pijn op briljante wijze omgezet.
De (zwarte) letters raken na wat plichtplegingen in oorlog met (rode) letters van een andere  dichter, Hilda Steunvoet, die ze eigenlijk als partner voor hun eigen dichter hadden bedacht, behalve dat hun dichter van mannen houdt en ouder is.
Na wat gehakketak duwen de rode de zwarte letters van de pagina’s – let wel, alles in een spectaculaire, volkomen originele en geniale vormgeving – , er volgen een paar gedichten van deze onbekende dichter, over Ieper en de Eerste Wereldoorlog, maar uiteindelijk winnen de zwarte letters de strijd, al zijn er wat casualties: “..jn we er allemaal nog wel? Er       jn gaten in ons ge allen. W e jn er nog?”
Volgt een laatste gedicht over een berg die wilde groeien met als slotregel “Je tranen zijn warm. O, vergeet dat toch niet!”, al mist de i het puntje, want die is in de letteroorlog gesneuveld.
Niet alleen weet van Lieshout weer een boek te maken dat niemand voor hem heeft gemaakt, ook mengt hij op onnavolgbare wijze vorm en inhoud tot een zinvol geheel, waar maar een paar gedichten in staan, maar de achterliggende gedachte luid en duidelijk over het voetlicht komt. Een bijzondere dichter en vormgever, dat is zeker.

 

Beschermpje
‘Je moet gaan liggen,’ zegt ze
‘op de bank.’ Maakt kussens
van truien, dekt me toe
met haar moeders omslagdoek
geeft me een hond voor op mijn borst.

‘Hij zal je beschermen,’ zegt ze.

Haar handen strelen een boog
van mijn hoofd tot mijn voeten.
‘Ik zet,’ legt ze uit, ‘een beschermpje
over je heen.Dat houdt nare dromen tegen
maar laat de mooie door.’

Kees Spiering. Uit: Jij begint. Tekeningen Alette Straathof. Luiting-Sijthoff, 2018.
Bijna tachtig gedichten telt de nieuwe bundel van Kees Spiering, een bundel waar we vijftien jaar op hebben moeten wachten.
En wat voor bundel. Een hartstochtelijke ode aan het leven en de liefde, voor mens en dier met als kernthema: hoe zeer het ook doet: heb lief, heb lief.
Missen, verrukking, pijn en verdriet om verlies van liefde of geliefde, melancholie, verwarring, ongemak: het komt allemaal voorbij, in een taal die zowel onopvallend als uiterst soepel, compact en heerlijk vanzelfsprekend is, ritmisch en boordevol klankfeestjes.
Met een paar pennestreken schildert Spiering een schilderij aan gebeurtenissen en gevoelens en trekt je het tafereel  binnen met messcherpe observaties (‘Oude mensen kussen…Haar wang/was dun en slap, boog van je/ lippen weg, als kuste je/een theedoek aan de lijn.’), de tergende eerste kus (‘Lippen aan elkaar met open mond…./Zo stonden we te wachten/op wat niet gebeurde’), sterke metaforen (opa’s armen van ijzerdraad en met splinters van baard in je wang), en zinnen die als een stomp in de maag binnen komen. (‘Hamsters zijn meestal dood’: ‘Dan een nieuwe hamster./Of een konijn. Die zijn/ook vaak dood, konijnen.’)
“Oh, auw!” denk je dan.
Geen schaamte of herinnering zo erg of Kees Spiering schrijft er over, de pestgedichten in de bundel zullen bij sommige lezers pijnlijke beelden oproepen, de kommer van een verloren liefde zal menigeen bekend voorkomen en veel gedichten bevatten zo’n zinnetje dat even doorknijpt, zoals ‘vaders zijn weg voor je het weet’.
De tekeningen van Alette Straathof, in enkel zwart, wit en blauw, zijn van een zelfde fijnzinnige scherpte en doelgerichtheid als de gedichten.
Deze dikke bundel is als een wintertrui op een kille herfstdag. Beklemming en grote thema’s in gewone, kleine woorden: Kees Spiering heeft zich zo langzamerhand ontwikkeld tot de Wislawa Szymborska van de Nederlandse jeugdpoëzie. Hopelijk volgen er nog veel bundels.

 

 

Vanmorgen over de Maliebaan
zag ik zeven mannetjes gaan,
ze liepen allemaal achter elkaar
met grote strikken in hun haar,
met grote strikken op hun schoen.
Wat zouden die mannetjes daar toch doen?
Wat liepen die mannetjes daar toch raar
met al die strikken in hun haar.
Ik vroeg het aan Jan en Alleman
maar niemand wist er het fijne van.
Je moet zo vanavond eens kijken gaan,
vanavond laat op de Maliebaan,
je moet maar eens kijken, en laten we hopen,
dat die mannetjes daar nog altijd lopen!

Annie M.G. Schmidt. Uit: Ziezo. De 347 kinderversjes. Verschillende tekenaars. Querido, 2004.
20 mei was de verjaardag van Annie M.G. Schmidt. Je kunt hier  allerlei lessuggesties voor in het onderwijs downloaden.

Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Portfolio Items