Berichten

Ik schop wat scherfjes aan de kant als ineens van binnen uit de glasbak
een stem klinkt,
hol en honingzoet:

‘Lieve Dissus, lieve Dissus,
vergeet niet, ik,
ik zal je nooit
vergeten, nee,
vergeet mij niet.
Kom maar dichter,
dichterbij.
Ik zal je helpen.
Hier. Van mij.’

En uit het gat van de glasbak
steekt een ranke arm, een hand,
ze houdt een colaflesje vast
met daarin een bruine drab

‘Kirke,’ stamel ik, ‘dankjewel,’
en terwijl ik het pak,
raak ik haar vingers, heel even maar,
en weg is de hand, de gloed, de stem

Hoe diep ik ook naar binnen tuur,
alleen maar scherven,
muffe lucht
en schimmelklodders jam
Simon van der Geest. Uit: Dissus. Illustr. Jan Jutte. Querido, 2010.
Krijgt Dissus vanavond op het Kinderboekenbal de Gouden Griffel 2011? Dat zou wel moeten. Het is  origineel, fantastisch geschreven en op alle fronten vernieuwend. Bovendien is het veel te lang geleden dat de Gouden Griffel naar poëzie ging. Ja, ik weet dat dat een oneigenlijk argument is. Het beste boek moet winnen. Dissus dus.
Nou vooruit. ‘Ik leer je liedjes van verlangen en aan je apenstaartje hangen’ van Bette Westera mag ook. Of het ‘Boeboek’ van Imme Dros. Al heeft de jury zich dan vergist.
Bovenstaand fragment is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Er was een deftig schaapje op de Ermelose Heide,
met donkerbruine wol, waarvan men dure truien breide
– ontzettend dure truien -, met een stal vol dure spullen
en met een dure smaak en met gepermanente krullen.

Zij stond zich op een dag in januari te beklagen:
‘Mijn krulletjes verpieteren; het regent nu al dagen.
Zo kan ik mij toch nauwelijks vertonen op de hei.
Ik ga maar naar de kapper en dan neem ik coupe soleil.’

De kapper was een wolhandkrab met hele grote scharen.
Hij keek bedenkelijk en sprak: ‘U hebt wel heel veel haren.
Als u een coupe soleil wilt in die dikke wollen vacht,
dan duurt dat op z’n minst toch wel een dag of zeven, acht.

Om van de kosten, juffrouw schaap, nog maar niet eens te spreken.’
Maar ’t schaap zei vastbesloten: ‘Ook al duurt het zeven weken,
ik wil een coupe soleil. Ik ben die regen meer dan zat.
Van kop tot staart, tot elke prijs.’ Ziezo en dat was dat.

Dus kapper krab ging aan het werk. Hij waste en hij spoelde
en vroeg voortdurend of het water wel plezierig voelde
en of ze al vakantie had gehouden dit seizoen
en wat ze volgend jaar, als het vakantie was, ging doen.

Hij waste en hij spoelde en hij verfde en  hij knipte,
terwijl mejuffrouw schaap van haar esspressokoffie nipte.
Hij knipte en hij verfde meer dan zeven volle dagen.
Toen was ze klaar; een donker schaap met mooie, lichte vlagen.

Het schaap keek in de spiegel en zei keurend: ‘Lang niet gek.
Ik dank u zeer, tot ziens.’ En ze betaalde met een cheque.

En alle andere schapen riepen: ‘Kijk, een coupe soleil.
Dat zien we voor het eerst hier op de Ermelose hei.’
Ze waren vol bewondering en fluisterden: ‘Wat mooi.’
En daarna kwam de herder en die bracht ze naar hun kooi.

Het schaap ging nog wat wandelen, maar ’s avonds tegen negenen
begon het als gewoonlijk weer ontzettend hard te regenen.
Dus toen ze bij haar stal kwam was ze aardig onderkoeld
én heel de coupe soleil was uit haar schapenvacht gespoeld!

Dat hij niet waterproof was had de kapper niet verteld.
Eerst was ze boos en toen alleen nog maar teleurgesteld.
‘Ik heb me laten flessen,’ zei ze. ‘Zonde van de centen.
In februari laat ik mij gewoon weer permanenten.’
Bette Westera. Uit: Ik leer je liedjes van verlangen en aan je apestaartje hangen. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2010.

Kikker

Er was eens een kikker met knalgroene poten
die dol was op zwemmen in poelen en sloten,
die prachtig kon kwaken, die dol was op kroos.
En tóch was er met deze kikker iets loos.
Hij zwom en hij kwaakte en meer van die dingen,
maar…hij kon niet springen!

Als iedereen zwom, zat hij stil aan de kant.
Hij dorst niet te springen, hij bleef op het land.
Als iedereen zwom, zat hij stil op het droge
met echt zo’n on-kikkerse blik in zijn ogen.
De andere kikkertjes riepen: ‘Kom op!
Het is heus niet moeilijk. Wij vangen je op!’
Maar…hij sprong niet.

Hij fluisterde: ‘Springen, daar kan ik niet tegen.
Ik houd er niet van mij zo wild te bewegen.
Ik ga niet van hups, ik ga pootje voor pootje.
Ik spring niet, ik duik niet, ik stáp in het slootje.’
En daar ging ‘ie.

Toen riepen de kikkers: ‘Nu is het bewezen.
Je springt niet, dus kun je geen kikkertje wezen.’
Geen kikkertje, ik? – dacht de kikker. Ach wat.
Hij klaagde zijn nood bij de vroedmeesterpad.
‘U zit,’ zei de vroedmeesterpad, ‘in een crisis.
U weet niet precies wie u bent. Mijn advies is…
…doe de kikkerproef’!’

‘Oké,’ zei de kikker. ‘U zult het wel weten.’
De pad  sloeg meteen aan het wegen en meten.
Hij vroeg hoe hij sliep, hoe hij liep, hoe hij zat,
en wat hij het liefst op zijn boterham at.
En of hij goed kwaakte (dat heette een stemtest).
En of hij de vlinderslag kon zonder zwemvest.
En dit was de uitslag: ‘Kort samengevat,
u lijkt op een kikker en doet als een pad.’

‘O jee,’ zei de kikker, ‘dat klinkt tegenstrijdig.’
‘Misschien,’ zei de pad. ‘Noem het liever veelzijdig.
Veelzijdig is mooi. Daar is heus niks mee mis.
Geloof me, u bent zo gezond als een vis.’
En springt hij nog steeds niet, die kikker? Welnee!
Maar…hij zit er niet mee.
In dit grote, fijne hebbeboek ‘Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen’ staan nog 46 van zulke vrolijke verhalen op rijm. Behalve de veelzijdige kikker is er een verkleumde kwal op het strand, een verliefde eendagsvlieg, een wonderdokterdolfijn en een dansende vogelspin “met zwarte haren op haar kin en grote, zwarte poten”. Door de veellagigheid zijn de gedichten voor kinderen en grote mensen leuk, al is de taal hier en daar een beetje plechtig of ouderwets. Nou ja, goed voor het vergroten van je woordenschat.
De illustraties, een mix van romantisch kleurrijke aquarellen en strakke, grappige computertekeningen, van Sylvia Weve zijn geWELDig! 
Bette Westera, uit: Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2010.