Berichten

Het wittebroodskind
Een man en een vrouw zagen elkaar zo graag dat ze samen een kind wilden. Een wittebroodskind.
Maar een kind krijg je niet op een, twee, drie. Ook niet tijdens de wittebroodsweken.
Ze wachtten dagen, weken, maanden en jaren. Hun verlangen naar een kind werd iedere zucht groter.
Tot hun geduld op was.
‘Ik maak zelf een kind,’ zei de vrouw.
‘Goed idee,’ zei de man.
De vrouw knoopte haar schort voor en begon eraan.
[…]
Kristien Dieltiens. Uit: De boze Billenbijter en andere verhalen voor grote en kleine mensen. Illustraties Leriette Desir van Bergen. De Eenhoorn, 2019.
Volksverhalen gaan over de grote thema’s van het leven: leven en dood, onderdrukking, moed, hebzucht, verleiding, het oude loslaten en het nieuwe veroveren. Ze worden wereldwijd al verteld sinds het begin van de mensheid en geven waarden en normen door. Alles kan, rijm, cadans en herhalingen spelen een grote rol en dieren komen vaak voor.
Diltiens geeft  in dit boek in haar heldere, frisse stijl  de oude verhalen een heel nieuw leven, bij uitstek geschikt om voor te lezen.
Leeftijd 3+/5+

‘Zeg hoor ‘s,’ zegt Boer Boris,
‘er moet een kerstboom komen.
Het is al bijna Kerstmis en we hebben er nog geen.
We moeten naar het bos.
Daar staan wel honderd bomen!
Kom, trek je jas en wanten aan, dan rijden we erheen.’

‘Dit is een leuke boom,’ zegt Sam, ‘al is-ie iets te klein.
Maar met een grote piek erop zal hij de mooiste zijn.’
[…]
Ted van Lieshout. Uit: Kerstmis met Boer Boris. Tekeningen Philip Hofman. Gottmer, 2018.
Aan de fijne BoerBoris-formule is ook in dit elfde deel niets veranderd: de kleine boer beleeft alledaagse avonturen met zijn zus, broer en boerderijdieren, De teksten zijn nog steeds even heerlijk om voor te lezen: rijmend, ritmisch en soms vrolijk onvoorspelbaar en de verrukkelijke tekeningen blijven een feest om te bekijken.
Vast terugkerende pagina-elementen muis, vogel, kat en hond zorgen als vanouds voor veel zoekplezier bij jonge lezers/kijkers. En Boer Boris zou Boer Boris niet zijn als er niet een fijne kersttwist aan het eind komt.
Leeftijd 2+

 

Beschermpje
‘Je moet gaan liggen,’ zegt ze
‘op de bank.’ Maakt kussens
van truien, dekt me toe
met haar moeders omslagdoek
geeft me een hond voor op mijn borst.

‘Hij zal je beschermen,’ zegt ze.

Haar handen strelen een boog
van mijn hoofd tot mijn voeten.
‘Ik zet,’ legt ze uit, ‘een beschermpje
over je heen.Dat houdt nare dromen tegen
maar laat de mooie door.’

Kees Spiering. Uit: Jij begint. Tekeningen Alette Straathof. Luiting-Sijthoff, 2018.
Bijna tachtig gedichten telt de nieuwe bundel van Kees Spiering, een bundel waar we vijftien jaar op hebben moeten wachten.
En wat voor bundel. Een hartstochtelijke ode aan het leven en de liefde, voor mens en dier met als kernthema: hoe zeer het ook doet: heb lief, heb lief.
Missen, verrukking, pijn en verdriet om verlies van liefde of geliefde, melancholie, verwarring, ongemak: het komt allemaal voorbij, in een taal die zowel onopvallend als uiterst soepel, compact en heerlijk vanzelfsprekend is, ritmisch en boordevol klankfeestjes.
Met een paar pennestreken schildert Spiering een schilderij aan gebeurtenissen en gevoelens en trekt je het tafereel  binnen met messcherpe observaties (‘Oude mensen kussen…Haar wang/was dun en slap, boog van je/ lippen weg, als kuste je/een theedoek aan de lijn.’), de tergende eerste kus (‘Lippen aan elkaar met open mond…./Zo stonden we te wachten/op wat niet gebeurde’), sterke metaforen (opa’s armen van ijzerdraad en met splinters van baard in je wang), en zinnen die als een stomp in de maag binnen komen. (‘Hamsters zijn meestal dood’: ‘Dan een nieuwe hamster./Of een konijn. Die zijn/ook vaak dood, konijnen.’)
“Oh, auw!” denk je dan.
Geen schaamte of herinnering zo erg of Kees Spiering schrijft er over, de pestgedichten in de bundel zullen bij sommige lezers pijnlijke beelden oproepen, de kommer van een verloren liefde zal menigeen bekend voorkomen en veel gedichten bevatten zo’n zinnetje dat even doorknijpt, zoals ‘vaders zijn weg voor je het weet’.
De tekeningen van Alette Straathof, in enkel zwart, wit en blauw, zijn van een zelfde fijnzinnige scherpte en doelgerichtheid als de gedichten.
Deze dikke bundel is als een wintertrui op een kille herfstdag. Beklemming en grote thema’s in gewone, kleine woorden: Kees Spiering heeft zich zo langzamerhand ontwikkeld tot de Wislawa Szymborska van de Nederlandse jeugdpoëzie. Hopelijk volgen er nog veel bundels.

 

 

Lola beter
Mijn klas mag Jumbo welkom heten,
wij kinderen van Amsterdam. Heel stil
staan we in twee rijen langs de papagaaienlaan,
maar de papagaaien krijsen:  blauw, groen, rood
Een gele vrachtwagen stopt voor de poort
waar de adelaars van koper schetteren in de zon.

In dat kabaal gaat de laadklep open, daar komt ze
op haar puppypoten, haar kop verstopt onder
de oksel van haar oppasser, haar wapperslurf
in zijn achterzak en een bang bungelend touwstaartje.

Ik heb haar rug geaaid. Wat pluizige haartjes leken
was harder dan de nagelborstel thuis.
Jumbo was een slechte naam, Lola beter.
Haar flesje dronk ze op zijn schoot.
De arme man ging bijna dood.
Het olifantje was nog klein,
maar voor een mensenschoot te groot.

Katelijne Brouwer. Uit: De maagden moeten bloeden. De Harmonie, 2018.
Geen lichte kost, deze bundel van Katelijne Brouwer. Gedichten over moeders en dochters,  seks en dood, over ziek zijn, missen. Lekkende borsten, afscheid en vergankelijkheid. Maar ook gedichten over dieren in Artis, als hierboven.
Dit is geen kinderbundel, maar voor – rijpe – tieners goed te doen, vooral door de rauwheid, ranzigheid zelfs hier en daar, al zitten ze wellicht niet te wachten op formuleringen als ‘je borsten huilden stromen witte melk’.
Brouwer schept  een beeldend mini-universum, onontkoombaar als het leven  en even wrang en onverbiddelijk soms. De gedichten schuren, liefkozen en wringen, in taal die van goudvloeiend naar alledaags gaat en terug, met soms net iets te gemakkelijke of te snelle conclusies. Toch, alles bij elkaar, een spannende nieuwe stem aan het dichtersfront.

Er stonden zwarte wolken aan de hemel
toen Sien vertrok.
De lucht rommelde.
De regen trommelde.
Maar wij hoorden alleen hoe Siens laatste, allerlaatste adem
over de rand van de mand heen woei.
(…)
‘En nu?’ Klein Broertje keek ons vragend aan.
Hij wees naar de hemel en daarna naar de mand.
We knikten, want Klein Broertje had het goed gezien:
Sien was daar en Sien was hier.
Ze was op twee plaatsen tegelijk met ons ertussenin.
‘En nu?’ herhaalden wij. ‘Nu pakken we een deken en
we leggen Sien erop en nemen haar mee naar buiten.’

Bibi Dumon Tak. Uit: Siens hemel. Illustraties Annemarie van Haeringen. Querido, 2016.
Zo prachtig en verdrietig over de dood van een geliefd huisdier schrijven, en aan het leven dat eraan voorafging, kan alleen Bibi Dumon Tak. 
Zo prachtig en passend erbij tekenen als Annemarie van Haering in dit boekje doet lijkt wel een wonder. Tekst en beeld schuiven naadloos in elkaar en hoe meer Sien dood is, hoe levender ze wordt op de pagina’s. Er is ruimte voor meerlagige ideeën over doodgaan en doorleven. Verlies en rouw zijn geen moment uit beeld, maar overheersen niet.  Wat een liefdevol, fijn, troostrijk boek.
Bovenstaande tekst is gebruikt met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Ik noem je naam,
vandaag, morgen,
volgend jaar.

Ik roep je vaak, zo hard
ik wil. Ik schreeuw je
van de daken.

Ik huil, raas, fluister,
aarzel, stotter, stamel,
schater, zoen en zing je naam.

Vallende blaadjes wapperen
je naam. Vogelveertjes
ritselen je naam.

Wolken zwiepen hem mee. In leeuwenkuilen,
muizenholen, op de bodem van de  zee:
je naam.

Regendruppels drinken hem op weg
naar de oceaan. Ook de maan knipoogt
‘s avonds laat jouw naam.

En door het raam, tegen vergeten,
schijnt als een nieuwe ster in neonletters
aan de lucht hoe je altijd zult heten.

Diet Groothuis, Uit: Waar ik ben. Gedichten voor kinderen en anderen. Illustraties
Merel Eyckerman. De Eenhoorn, 2012.

 

Als je nou eens niet kon sterven,

zou je dan op zwemles gaan?
Van de hoge duikplank duiken?
Zeilen zonder zwemvest aan?
Op de hoogste bergen klimmen?
Op de smalste richels staan?
Langs de diepste kloven lopen?
Was daar dan nog wel wat aan?
Als je nou eens niet kon sterven,
was vakantie dan nog fijn?
Zou je je nog steeds verheugen
op dat reisje met de trein?
Zou je van het strand genieten?
Van de zee, de zonneschijn?
Van de ijsjes, van de frieten?
Zou je dan gelukkig zijn?
Bette Westera. Uit: Doodgewoon. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2014.
Bette Westera wint met dit boek de Zilveren Griffel voor poëzie 2015.

Bij oma zit ik
in de stoel van opa,
die is al dood.

We eten dikke
omasoep, altijd dezelfde,
groenrood met gekke balletjes.

Niemand anders
maakt die soep, daarom
heet ze zo.

Straks
vraag ik haar
hoe ze dat doet.

Je zult het zien, in eenentwintigtien
wordt deze soep nog opgeschept
naar eeuwenoud familierecept.
Diet Groothuis. Uit: Waar ik ben. Illustraties Merel Eyckerman. De Eenhoorn, 2012.

Ik mis je achter op de fiets,
ik mis je in de trein.
Ik mis je bij de H&M
en bij de Albert Heijn.

Ik mis je onder rekenen,
ik mis je onder lezen.
Ik mis je in de winter,
bij het voeren van de mezen.

Ik mis je als ik jarig ben
en als de oma’s komen.
Ik mis je als ik wakker lig,
ik mis je in mijn dromen.

Ik mis je zonder woorden,
elke dag en elke nacht.
Ik mis je als ik grapjes maak
en niemand om me lacht.

Ik mis je in de kamer,
als ik naar je foto kijk.
Ik mis je als we – ik en papa –
fietsen op de dijk.

Ik mis je op vakantie,
in ons huisje op de hei
en als we door de regen lopen
zonder jou erbij.

Ik mis je elke dag opnieuw
wanneer ik wakker word.
Ik mis je schoenen in de gang,
je beker naast je bord.

Ik mis jouw tandenborstel
naast de mijne in het glas.
Ik mis je voeten op de trap.
Ik mis je blauwe jas.

Ik mis jouw kleren in de kast,
je broeken en je truien.
Ik mis je geur, ik mis je stem,
ik mis je boze buien.

Ik mis je bij je graf
als ik je naam zie op de steen.
Ik mis je als ik samen ben
met papa, en alleen.

Ik mis je als ik ijsjes eet,
en appels en bananen.
Ik mis je als ik huilen moet,
ik mis je zonder tranen.

Ik mis je als je jarig was
en iedereen er is.
Ik mis je als ik eventjes
niet merk dat ik je mis.

Ik mis je als ik keelpijn heb,
ik mis je als ik val.
Ik mis je nergens echt het ergst,
maar altijd overal.
Bette Westera. Uit: Doodgewoon. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2014.
Dichters grossieren in gedichten over de dood. Maar over die onontkoombare gast schrijven zoals Bette Westera in dit boek doet is weinigen gegeven.
Onopgesmukt, treffend en onomwonden, nergens kinderachtig, lichtvoetig zoals in het slotvers ‘Hier lig ik dan/begraven in een grazig stukje groen/en denk wat ik al eerder dacht:/de dood is goed te doen’, maar in andere verzen zoals hierboven knijpt het door.
Westera gaat niets uit de weg, ook een ongemakkelijk onderwerp als zelfdoding niet, en doet dat met fijnzinnige precisie: ‘Ze kon niet meer ontvangen/wat wij haar wilden geven/Ze trok de stoute schoenen aan/en stapte uit het leven.’
Er is een te vroeg geboren baby, er zijn dode grootouders en huisdieren en er is een overleden klasgenootje. Er is tante An die haar tiran van een echtgenoot in een vaas op de kast heeft staan en er is een gedicht over Fiesta de los Muertos, het Feest van de Doden, begin november: ‘Vanavond gaan we dansen op de graven/vanavond is het feest voor iedereen/We plukken wilde bloemen, we versieren oma’s steen/we maken lekker eten klaar en brengen het erheen.’
Nergens wordt het soepele eindrijm irritant, metrisch kloppen de gedichten als een bus. Vormgeving en illustraties zijn meer dan bijzonder, vertellen hun eigen verhaal en voegen daarmee iets toe aan de gedichten.
De dood zal niet plotseling een gewenste gast zijn, maar dit boek maakt hem in elk geval gewoner. Het verdient een groot publiek, van kinderen zowel als volwassenen.
Leeftijd 5+


Vroeg in de vroegte
op eerste paasdag
sta ik te denken
aan wat ik net zag:
Mama die bezig was
eieren te leggen.
In de tuin
en de struiken.
En – moet ik het zeggen?
Dat ik toen een kip zag?
De kip van de buren.
Die blij was:
dat ei was
precies wat ze wil.

Dus nu zit ze te broeden
en ik sta hier stil.
Ik sta hier te denken,
zonder geluid,
komt daar een melkchocolade kuikentje uit?
Allemaal raadsels.
De raadsels van Pasen.
En dan begin ik niet eens…

…over dat met die hazen!
Edward van de Vendel. Uit: Opa laat zijn tenen zien. Illustraties Floor de Goede. Querido, 2008.
Behalve over eieren en hazen gaat Pasen over doodgaan en leven, zoals in het verhaal van  Jezus. De paaseieren en de paashaas komen uit voorchristelijke culturen en symboliseren het wakker worden van de natuur na de winter.

Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.