Berichten

‘In een griezelig huis
op een heuvel,’ zegt Muis,
‘woont een Grompel. Ik zie in mijn boek staan…
…dat n i e m a n d er ooit een gezien heeft. Nog n o o i t.
Zelfs niet ’s nachts. Zullen w i j eens op zoek gaan?’

Het is nacht als ze gaan.
Er is bijna geen maan.
Zou de Grompel al hebben gegeten?

Pak je lamp, pak je touw.
Pak een cupcakje,
gauw,
want de Grompel
heeft t r e k, zeker weten!

Is de Grompel wel thuis?
‘Ik hoor voetstappen, Muis…’
‘Mondje dicht,’ fluistert Muis. ‘Straks verdwijnt-ie.’
Claire Freedman & Kate Hindley. Uit: De grote gevaarlijke Grompel. Vertaling Bette Westera. Querido, 2015. 
Een spannende nachtelijke onderzoekingstocht naar een gevaarlijk monster, met bijbehorende knikkende knieën, schrikmomenten, piepend hek en een smadelijke aftocht, gevolgd door een eind-goed-al-goed slot waarin het monster natuurlijk totaal niet eng blijkt te zijn.
Dit is een heerlijk en origineel prentenboek, op elk onderdeel van hoog niveau: fijne teksten met veel vaart en een goede spanningsboog en werkelijk meesterlijk vertaald, subtiele tekeningen met een heel eigen signatuur, mooie vormgeving, lekker papier, prettig formaat. Alles klopt, en kinderen zullen genietend meegriezelen met Muis, Kat, Hond en Konijn tijdens hun dappere onderneming. 
Leeftijd 2+.
Bovenstaande tekst is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido. 

Als je nou eens niet kon sterven,

zou je dan op zwemles gaan?
Van de hoge duikplank duiken?
Zeilen zonder zwemvest aan?
Op de hoogste bergen klimmen?
Op de smalste richels staan?
Langs de diepste kloven lopen?
Was daar dan nog wel wat aan?
Als je nou eens niet kon sterven,
was vakantie dan nog fijn?
Zou je je nog steeds verheugen
op dat reisje met de trein?
Zou je van het strand genieten?
Van de zee, de zonneschijn?
Van de ijsjes, van de frieten?
Zou je dan gelukkig zijn?
Bette Westera. Uit: Doodgewoon. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2014.
Bette Westera wint met dit boek de Zilveren Griffel voor poëzie 2015.  

Voel je je zielig? Zit alles je tegen?
Voel je je miezerig, voel je je moe?
Zie je alleen nog maar wolken en regen?
Spreek dan jezelf ogenblikkelijk toe:

Maak je niet druk Ukkie.
Spreek van geluk, Ukkie.
Spreek van geluk en wees blij.
Sommige mensen zijn minder gelukkig,
meer nog dan min of meer zeer ongelukkig,
veel minder gelukkig dan jij!

Wees blij dat je geen Bokkenburger Bruggenbouwer bent.
Bokkenburger Bruggenbouwers staan alom bekend
als brokkenmakers, allemaal. ..

Of dat je Benny bent, die per-ku-la-tors demonteert
en niet meer in elkaar krijgt. Dat er, wat je ook probeert,
steeds onderdelen over zijn, of onderdelen kwijt.
Een akelige toestand, die tot grote wanhoop leidt.
De Snoef past niet meer in de Flop, de Flap niet in de Sniep.
De Plop floept in het sleufje dat bedoeld is voor de Pliep…

Of dat je Ali Boeboe heet,
die gras heeft moeten zaaien
dat vele malen sneller groeit
dan Ali zelf kan maaien.
Hij maait het heel zorgvuldig,
maar het groeit meteen weer aan.
Dat is heel onbevredigend
en echt een zware baan,
waarvoor die arme Ali
wordt betaald in glazen kralen,
waarmee je bijna nergens
op de wereld kunt betalen!

Dus…

Je mag jezelf ook veel meer dan veel dan zeer gelukkig prijzen,
dat jij niet door het leven gaat als een van de radijzen
– met name nummer zeventien – op boer Buwalda’s akker.
Buwalda weet nog nergens van, dus maak ‘m maar niet wakker…

Of dat je door het leven gaat
als  losse linkersok,
verloren en vergeten in de
kelders van Kapok.

Nee, maar je niet druk Ukkie.
Spreek van geluk, Ukkie.
Spreek van geluk en wees blij.
Sommige schepsels zijn minder gelukkig,
meer nog dan min of meer zeer ongelukkig,
vele minder gelukkig dan jij.
Dr. Seuss. Uit: Heb jij wel door hoe gelukkig je bent? Vertaling Bette Westera. Gottmer, 2015.
Opnieuw een fantastische Dr. Seuss in het Nederlands. Wat een feest dat uitgeverij Gottmer dit doet en wat heeft Bette Westera de teksten weer subliem, met gevoel voor en behoud van ritme en rijm, omgezet in soepel Nederlands.
De totale heerlijke gekkigheid van de teksten, samen met de superieure taalbeheersing, maken dit boek tot een must voor elk moment dat je in de put zit.  

Heb jij dat nou ook wel eens?

Een FROMMEL
tussen je ROMMEL?
Of een BLA
in je LA?

Of een KNAST in je KAST?

Laatst zat er
– zeker weten –
een KORNIJN
in ons GORDIJN
En er  stond een TOK
naast onze KLOK…
In het huis waar ik woon
zijn zulke dingen

heel gewoon.

Dwarse taalkolder voor beginnende lezers waar elke taalveteraan zijn vingers bij aflikt, gecombineerd met oersterke tekeningen: niemand kan het zo fenomenaal als Dr. Seuss. Hijzelf is al twintig jaar dood, maar zijn kinderboeken zijn moderne klassiekers die geen enkel kind mag missen.
‘Groene eieren met ham’, ‘De kat met de hoed’, ‘Het voetenboek’, ‘Er zit een Knak in mijn Zak’ en een werkboekje om zelf te oefenen met woorden: in het Dr. Seussleeskoffertje vind je ze allemaal bij elkaar in  smakelijke vertalingen van Bette Westera. Megagrappige,  hoogwaardige leescuisine voor iedereen boven de zes.

De kat met de hoed leeskoffer. Dr. Seuss. Vertaling Bette Westera. Gottmer, 2011.

Tante Nel is niet mijn tante,
maar ze is het wel geweest.
Tante Nel was ooit mijn tante.
Nu is tante Nel een geest.

Altijd als ik jarig ben,

komt ze op bezoek.
Dan wil ze ook een kopje thee

en een plakje koek.

Ze komt niet door de voordeur.

Ze belt niet aan, welnee.

Ze zweeft gewoon naar binnen
en neemt een kopje thee.

Niemand kan haar horen,
niemand kan haar zien,
behalve ik. Daar zit ze,

naast tante Evelien.

Ze kijkt nieuwsgierig om zich heen
en blijft niet al te lang.
Ze drinkt haar thee, ze eet haar koek
en zweeft weer naar de gang.

Ik doe de voordeur open,

maar tante is al weg.
Ik zie nog net haar hoedje
verdwijnen door de heg.

Het is een vrolijk hoedje,
een hoedje met een veer.
‘Dag, Bette!’ roept het hoedje.
‘Tot volgend jaar maar weer.’
Bette Westera. Uit: Mijn zusje achter het behang. Familiepoëzie. Ill. Barbara de Wolf.  De Fontein, 2008. Cd met liedjes met muziek van Diederik van Essel.

Er was een deftig schaapje op de Ermelose Heide,
met donkerbruine wol, waarvan men dure truien breide
– ontzettend dure truien -, met een stal vol dure spullen
en met een dure smaak en met gepermanente krullen.

Zij stond zich op een dag in januari te beklagen:
‘Mijn krulletjes verpieteren; het regent nu al dagen.
Zo kan ik mij toch nauwelijks vertonen op de hei.
Ik ga maar naar de kapper en dan neem ik coupe soleil.’

De kapper was een wolhandkrab met hele grote scharen.
Hij keek bedenkelijk en sprak: ‘U hebt wel heel veel haren.
Als u een coupe soleil wilt in die dikke wollen vacht,
dan duurt dat op z’n minst toch wel een dag of zeven, acht.

Om van de kosten, juffrouw schaap, nog maar niet eens te spreken.’
Maar ’t schaap zei vastbesloten: ‘Ook al duurt het zeven weken,
ik wil een coupe soleil. Ik ben die regen meer dan zat.
Van kop tot staart, tot elke prijs.’ Ziezo en dat was dat.

Dus kapper krab ging aan het werk. Hij waste en hij spoelde
en vroeg voortdurend of het water wel plezierig voelde
en of ze al vakantie had gehouden dit seizoen
en wat ze volgend jaar, als het vakantie was, ging doen.

Hij waste en hij spoelde en hij verfde en  hij knipte,
terwijl mejuffrouw schaap van haar esspressokoffie nipte.
Hij knipte en hij verfde meer dan zeven volle dagen.
Toen was ze klaar; een donker schaap met mooie, lichte vlagen.

Het schaap keek in de spiegel en zei keurend: ‘Lang niet gek.
Ik dank u zeer, tot ziens.’ En ze betaalde met een cheque.

En alle andere schapen riepen: ‘Kijk, een coupe soleil.
Dat zien we voor het eerst hier op de Ermelose hei.’
Ze waren vol bewondering en fluisterden: ‘Wat mooi.’
En daarna kwam de herder en die bracht ze naar hun kooi.

Het schaap ging nog wat wandelen, maar ’s avonds tegen negenen
begon het als gewoonlijk weer ontzettend hard te regenen.
Dus toen ze bij haar stal kwam was ze aardig onderkoeld
én heel de coupe soleil was uit haar schapenvacht gespoeld!

Dat hij niet waterproof was had de kapper niet verteld.
Eerst was ze boos en toen alleen nog maar teleurgesteld.
‘Ik heb me laten flessen,’ zei ze. ‘Zonde van de centen.
In februari laat ik mij gewoon weer permanenten.’
Bette Westera. Uit: Ik leer je liedjes van verlangen en aan je apestaartje hangen. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2010.

Kikker

Er was eens een kikker met knalgroene poten
die dol was op zwemmen in poelen en sloten,
die prachtig kon kwaken, die dol was op kroos.
En tóch was er met deze kikker iets loos.
Hij zwom en hij kwaakte en meer van die dingen,
maar…hij kon niet springen!

Als iedereen zwom, zat hij stil aan de kant.
Hij dorst niet te springen, hij bleef op het land.
Als iedereen zwom, zat hij stil op het droge
met echt zo’n on-kikkerse blik in zijn ogen.
De andere kikkertjes riepen: ‘Kom op!
Het is heus niet moeilijk. Wij vangen je op!’
Maar…hij sprong niet.

Hij fluisterde: ‘Springen, daar kan ik niet tegen.
Ik houd er niet van mij zo wild te bewegen.
Ik ga niet van hups, ik ga pootje voor pootje.
Ik spring niet, ik duik niet, ik stáp in het slootje.’
En daar ging ‘ie.

Toen riepen de kikkers: ‘Nu is het bewezen.
Je springt niet, dus kun je geen kikkertje wezen.’
Geen kikkertje, ik? – dacht de kikker. Ach wat.
Hij klaagde zijn nood bij de vroedmeesterpad.
‘U zit,’ zei de vroedmeesterpad, ‘in een crisis.
U weet niet precies wie u bent. Mijn advies is…
…doe de kikkerproef’!’

‘Oké,’ zei de kikker. ‘U zult het wel weten.’
De pad  sloeg meteen aan het wegen en meten.
Hij vroeg hoe hij sliep, hoe hij liep, hoe hij zat,
en wat hij het liefst op zijn boterham at.
En of hij goed kwaakte (dat heette een stemtest).
En of hij de vlinderslag kon zonder zwemvest.
En dit was de uitslag: ‘Kort samengevat,
u lijkt op een kikker en doet als een pad.’

‘O jee,’ zei de kikker, ‘dat klinkt tegenstrijdig.’
‘Misschien,’ zei de pad. ‘Noem het liever veelzijdig.
Veelzijdig is mooi. Daar is heus niks mee mis.
Geloof me, u bent zo gezond als een vis.’
En springt hij nog steeds niet, die kikker? Welnee!
Maar…hij zit er niet mee.
In dit grote, fijne hebbeboek ‘Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen’ staan nog 46 van zulke vrolijke verhalen op rijm. Behalve de veelzijdige kikker is er een verkleumde kwal op het strand, een verliefde eendagsvlieg, een wonderdokterdolfijn en een dansende vogelspin “met zwarte haren op haar kin en grote, zwarte poten”. Door de veellagigheid zijn de gedichten voor kinderen en grote mensen leuk, al is de taal hier en daar een beetje plechtig of ouderwets. Nou ja, goed voor het vergroten van je woordenschat.
De illustraties, een mix van romantisch kleurrijke aquarellen en strakke, grappige computertekeningen, van Sylvia Weve zijn geWELDig! 
Bette Westera, uit: Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2010.

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!

Kijk, daar staat ze. Zonder jas.
Wist ze niet hoe koud het was?
Wist ze niet hoe hard het vroor?
Waarom ging ze ervandoor,
zonder sjaal en zonder wanten?

’s Avonds stond in alle kranten:
’t Wordt vannacht min zeventien!
Heeft ze dat soms niet gezien?

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!

De politie heeft ter plekke
geprobeerd haar los te trekken.
Heeft geduwd en heeft gerukt,
maar het is ze niet gelukt.
Nu moet tante Trees daar blijven
tot het dooit.

Alle journalisten schrijven:
Winters weer geeft overlast:
In het bos vriest dame vast!

Moet je horen, moet je horen,
tante Trees is vastgevroren.
Vastgevroren in het bos.
En nu kan ze niet meer los!
Ze kan er bijna uit! Het dooit namelijk. Goed idee, het is tijd voor zingende merels en warme lentezonnetjes, als je het mij vraagt.
Bette Westera & Barbara de Wolf in Mijn zusje achter het behang. De Fontein, 2008. Met cd met liedjes, muziek Diederik van Essel.

Mijn zusje was als kleuter
een heel vervelend kind.
Zo’n kind dat stoute dingen doet
en kattekwaad verzint.
Ze gaf nooit braaf een handje.
Ze zei nooit dankjewel.
Ze drukte voor de grap
bij alle buren op de bel.

Ze klom in alle bomen,
ze klom zelfs op het dak,
tot aan de hoogste schoorsteenpijp.
Dat kon ze met gemak.
Daar zat ze, in de dakgoot,
net als Sinterklaas
en riep: ‘Ik wil een boterham,
maar niet met pindakaas.

Een boterham met muisjes,
komkommer en tomaat.’
Mijn moeder keek verschrikt omhoog
en riep ten einde raad:
‘Ik kan er niet meer tegen.
Ik houd het niet meer uit!’
Toen kwam mijn vader van zijn werk
en nam een kloek besluit.

Hij leende bij de buurman
behangsel en een kwast,
klom langs de regenpijp omhoog
en greep mijn zusje vast.
Hij greep haar bij haar lurven,
en hij droeg haar naar de gang
en plakte haar met ferme streken
achter het behang.

Daar is ze blijven zitten
tot eenentwintig maart.
En of het iets geholpen heeft?
Natuurlijk, uiteraard.
Ze doet niet meer vervelend,
is nooit meer onbeleefd
en geeft nu braaf een handje
(dat nog wel een beetje kleeft).
Bette Westera. Uit: Mijn zusje achter het behang. Illustraties Barbara de Wolf. De Fontein, 2008. Achter in het boek zit een cd met de gedichten op muziek.