Circusdirecteur en andere gedichten voor kinderen

Diet blogt

Archief

  • 2019 (25)
  • 2018 (42)
  • 2017 (39)
  • 2016 (45)
  • 2015 (49)
  • 2014 (68)
  • 2013 (78)
  • 2012 (95)
  • 2011 (111)
  • 2010 (125)
  • 2009 (41)

Bij wijze van uitzondering vandaag geen gedicht maar een verhaal.

Het bezoek van de dieren
Er waren allerlei dieren die graag het kindje Jezus wilden zien. Daarom vroegen ze aan de os en de ezel of die aan Jozef wilden vragen of dat mocht. Nadat Jozef ja had gezegd, gaf de os een mak en snel paard de opdracht om de volgende dag iedereen uit te nodigen die wilde komen.
De os en de ezel vroegen zich af of ze ook wilde dieren moesten toelaten, en ook dromedarissen, kamelen en olifanten, alle dieren die er door hun bulten en slurven, hun grote knoken en massa’s vlees een beetje verdacht uitzien. Hetzelfde gold voor griezelige dieren, zoals schorpioenen, tarantula’s, reuzenspinnen en adders, die in hun klieren dag en nacht gif aanmaken, zelfs ’s morgens als alles nog schoon en fris is.
Maria aarzelde niet. ‘Jullie kunnen ze allemaal laten komen. Mijn kind is in zijn kribbe zo veilig alsof hij in de hoge hemel is.’ ‘Maar wel één voor één,’ zei Jozef op bijna militaire toon. ‘Er mogen niet twee dieren tegelijk door de deur. Anders zie je door de bomen het bos niet meer.’
Er werd begonnen met de giftige dieren. Iedereen had het gevoel dat ze een dergelijke genoegdoening wel verdienden. Opvallend was de tact van de slangen. Ze vermeden het om Maria aan te kijken en bleven een eind uit haar buurt. Daarna namen ze zo rustig en waardig afscheid alsof het duiven of waakhonden waren.
De honden konden het niet laten uiting te geven aan hun bevreemding dat zij niet in de stal mochten wonen, zoals de os en de ezel. Als antwoord kregen ze van iedereen een vriendelijke aai. En zo gingen ze dankbaar weer weg.
Maar toen de os en de ezel de lucht van de leeuw roken, werden ze onrustig. Vooral omdat die lucht probleemloos de wierook, de mirre en de andere geuren overstemde die de koningen kwistig verspreid hadden.
De os had er wel waardering voor dat Maria en Jozef zo goed van vertrouwen waren, maar dat ze zo’n kind, zo’n teer vonkje, in aanraking brachten met een dier dat het in één adem uit kon blazen…

De leeuw kwam binnen met zijn manen die nooit door iemand anders waren gekamd dan door de woestijnwind. Zijn weemoedige ogen zeiden: ‘Ik ben de leeuw, kan ik het helpen? Ik ben maar de koning der dieren.’
Je zag dat zijn grootste zorg was om zo weinig mogelijk plaats in de stal in te nemen, en dat viel niet mee. Hij deed vreselijk zijn best om adem te halen zonder iets in de war te brengen, en om zijn klauwen en zijn enorm gespierde kaken te vergeten. Hij naderde met neergeslagen ogen en verborg zijn prachtige gebit alsof het een afschuwelijke ziekte was.
Hij deed zo bescheiden dat hij blijkbaar hoorde tot het ras van leeuwen die op een dag zouden weigeren de heilige Blandina op te eten. Maria had met hem te doen, en wilde hem geruststellen met een glimlach die ze anders alleen voor het kind overhad. De leeuw keek recht voor zich uit met een blik alsof hij, nog wanhopiger dan eerst, wilde zeggen: ‘Wat kan ik eraan doen dat ik zo groot en sterk ben? Jullie weten dat ik altijd door honger en door de open lucht werd gedreven als ik me op een prooi stortte. Jullie kennen toch ook het probleem van iedere jonge welp. We hebben allemaal geprobeerd om planteters te worden, maar planten zijn niets voor ons, we kunnen ze niet verteren.’
Toen boog hij zijn reusachtige kop met de wijduitstaande haren en ging verdrietig op  de harde grond liggen. De kwast van zijn staart zag er net zo triest uit als zijn kop. Hij was omgeven door een grote stilte die iedereen ontroerde.

Toen de tijger aan de beurt was liet hij zich op de grond vallen en maakte zich even zo plat dat hij van pure bescheidenheid als een beddenkleedje voor de kribbe lag. Maar meteen veerde hij alweer op, hernam zijn soepele en goed getrainde vorm, en verdween.
De giraf liet heel even zijn poten in de deuropening zien en iedereen vond dat dat kon worden aangemerkt als een bezoek aan de kribbe.
Hetzelfde was het geval met de olifant: hij nam er genoegen mee op de drempel te knielen en met zijn slurf te zwaaien als met een wierookvat, wat bijzonder in de smaak viel.
Een schaap dat dik in de wol zat wilde meteen geschoren worden, maar men liet het zijn vacht, onder vriendelijke dankzegging, behouden.

Moeder kangoeroe wilde Jezus per se een van haar kinderen geven. Ze zei dat het geschenk uit haar hart kwam en dat ze het makkelijk kon missen, omdat ze thuis nog meer kleine kangoeroetjes had. Maar Jozef wilde er niets van weten en ze moest haar kind weer meenemen.
De struisvogel had meer geluk. Ze legde in een onbewaakt ogenblik een ei in de hoek en verdween geruisloos. Het cadeau werd pas de volgende dag ontdekt door de ezel. Hij had nog nooit zo’n groot en hard ei gezien en dacht dat er een wonder was gebeurd. Maar Jozef hielp hem uit de droom: er werd een omelet van gebakken.
De vissen, die vanwege de betreurenswaardige manier waarop ze adem moeten halen niet uit het water konden, hadden een meeuw opdracht gegeven hen te vertegenwoordigen.
De vogels lieten bij hun vertrek hun gekwinkeleer achter, de duiven hun liefdesliederen, de apen hun apenstreken, de poezen hun warme blik, de tortelduifjes hun zoete stem.

Er gebeurden ook wonderen: de schildpad haastte zich, de leguaan veranderde van houding, het nijlpaard knielde op allersierlijkste wijze neer, en de parkieten hielden hun snavel.
Jules Supervielle. Fragment uit  ‘Le boeuf et l’ane de la crèche’ in L’enfant de la haute mer. Gallimard 1931-1958. Vertaald door Elly Schippers voor ‘Sneeuw op de vensterbank’, verhalen, liedjes en gedichten voor de winter, sint en kerst, uitgezocht door Rotraut Susanne Berner en Jacques Dohmen. Querido 2002.
Dit fragment is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Vrijdag kwam de kerstboom, netjes in een pot
geplant. Daar was mama met het engelenhaar,
de ballen en precies als ieder jaar mocht papa
het snoer van de lampjes weer ontwarren.

Wij voltooiden takken wonderschoon
met snoep en koek, medailles, alle speelgoed
met een gat erin of met een haak eraan.
Namen de kerststal in gebruik.
Kleine broer plaatste naast Jozef en Maria
en hun pasgeboren zoon, het kribbetje en de ezel
een hond en een tijger. En Sinterklaas.
Grote broer reed auto’s af en aan,
de stal werd een garage waar voor eerste hulp
de herdertjes bij nachte stonden.

Achter de stal een fel-oranje megawup,
als een reusachtig ondergaande zonne.
F. Starik. In: Songloed. Nieuw Amsterdam, 2007.

He was moeilijk om drie winnaars te kiezen uit alle inzendingen voor de schrijfwedstrijd ‘Schrijf je eigen fabel’, maar het is gelukt.
De winnende fabels zijn:
1. ‘Kikker’ van Damian en Emmy Berndes uit Watervliet, Belgie, samen met hun moeder Monique.
2.  ‘Van de schildpad en de haas’ van Björn Canfijn uit het Noordbrabantse Kruiskamp.
3. ‘Het varken en het zwijn’ van Henk Oortgijs uit Zutphen.

Vandaag ‘Kikker’.
Binnenkort de andere twee winnaars:
Kikker zat in de vijver en hoorde haan kraaien.
Onmiddellijk begonnen de kippen met hun vleugels te zwaaien.
Ze gaven hem een geweldig applaus en kakelden door elkaar heen.
Kikker was bedroefd en zei: ‘Wat een applaus, waarom krijg ik er geen!’
Toen besloot kikker om ook eens te kraaien.
Hij sprong op het dak en begon met zijn armen te zwaaien.
Hij riep: ‘luister allemaal goed en kijk eens naar mij!’
Hij opende zijn mond en kraaide heel blij.
Maar de kippen konden het niet waarderen en lachten hem uit.
De haan drukte hem aan de kant en kraaide nog eens heel luid.
Hij kreeg weer een applaus en een zoen van kip Salmiak.
Kikker sprong terug in de vijver en voelde zich zwak.
‘Waarom kan ik niet zoals de haan zijn, zo mooi en zo krachtig,
met verschillende kleuren en een stem o, zo prachtig.’
Toen kwam kikker Lien en riep: ‘Dat was een mooi gekwaak!
Veel beter dan de haan met zijn lelijke uitspraak.’
Kikker was heel blij om te horen,
dat er toch nog iemand was die zijn gekraai wel kon bekoren.
De prijs ‘Boven in een groene linde zat een moddervette haan’ komt zo snel mogelijk naar de winnaars toe.

Het wordt vannacht tot min vijftien graden Celsius.  Daarom dit heerlijke warmwordt-gedicht van Bart Moeyaert:
Geef me je jas
van bont van teddyberen.
Sla je arm om me heen
en al je winterkleren.
Zoen me tot ik warm word.
Zoen me tot ik spin.
Trek je eigen huid dan uit,
stop mij eronder in.
Sus me met je hartslag.
Wij ons wij ons wij ons.
Maak van dit veel te grote bed
een heel klein fort van dons.
Bart Moeyaert. Uit: Verzamel de liefde. Querido 2004
Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Hoe noem je een kat? Geen eenvoudig karweitje,
Dat flans je niet zomaar even te saam;
Wie weet denk je: díe heeft ze niet op een rijtje,
Als ik zeg: een kat vraagt om EEN DRIEDUBBELE NAAM.
Allereerst dus een naam om in huis te gebruiken,
Zoals Willempie, Sambal of Jan zonder Blaam,
Zoals Tjebbe of Frederik, Droppie of Kuiken-
Allemaal hoogst acceptabel qua naam.
Er zijn chiquere namen, ze klinken wat beter,
Deels voor meneer zelf en deels voor madame:
Zoals Plato, Apollo, Electra, Demeter-
O, allemaal hoogst acceptabel qua naam.
Maar geloof me: een kat eist een naam die bijzonder is,
Een naam die een wonder is, uiterst voornaam,
Want hóe straalt hij uit dat hij geen slome donder is,
Maar juist een seigneur als hij glimt voor het raam?
Ik bied je een selectie uit die aliassen,
Zoals Snorrescha, Xinix of Oui-doume-ouat,
Zoals Bomballerien of, zeg Antimakassa-
Titels, nimmer bestemd voor meer dan één kat.
Maar inzonderheid is daar die naam nog, die ene,
En dat is de naam die je vindt voor geen goud;
De naam door geen mensenverstand bij te benen-
Die ALLEEN DE KAT ZELF KENT, en stug voor zich houdt.
Weet, wanneer je een kat heel intens na ziet denken,
De reden is steeds weer: hij zit aangenaam
En innig verrukt al zijn aandacht te schenken
Aan zijn heerlijke, heerlijke, heerlijke naam:
Zijn onzegbaar onzegbare
Zegbaaronzegbare
Zeer ondoorgrondbare hogere Naam.
T.S. Eliot. Uit: Kobus Kruls parmantige kattenboek. Vertaling Gerrit Komrij. Bert Bakker, 1987.

Hier het origineel:
The Naming of Cats
The Naming of Cats is a difficult matter,
It isn’t just one of your holiday games;
You may think at first I’m as mad as a hatter
When I tell you, a cat must have THREE DIFFERENT NAMES.
First of all, there’s the name that de family use daily,
Such as Peter, Augustus, Alonzo or James,
Such as Victor of Jonathan, George or Bill Bailey –
All of them sensible everyday names.
There are fancier names if you think they sound sweeter,
Some for the gentlemen, some for the dames:
Such als Plato, Admetus, Electra, Demeter –
But all of them sensible everyday names.
But I tell you, a cat needs a name that’s particular,
A name that’s peculiar, and more dignified,
Else how can he keep up his tail perpendicular,
Or spread out his whiskers, or cherish his pride?
Of names of this kind, I can give you a quorum,
Such as Munkustrap, Quaxo, or Coricopat,
Such as Bombalurina, or else Jellylorum –
Names that never belong to more than one cat.
But above and beyond there’s still one name left over,
And that is the name that you never will guess;
The name that no human research can discover –
But THE CAT HIMSELF KNOWS, and will never confess.
When you notice a cat in profound meditation,
The reason, I tell you, is always the same:
His mind is engaged in a rapt contemplation
Of the thought, of the thought, of the thought of his name:
His ineffable effable
Effanineffable
Deep and inscrutable singular Name.
T.S. Eliot. Uit: Old Possum’s Book of Practical Cats. Uitgever Faber and Faber, 1987. 
Wist je  dat de musical Cats op dit boekje is gebaseerd? En dat de dichter, een serieuze en beroemde Engelse dichter, het voor z’n kleinkinderen heeft geschreven?

Ooit een held gezien? Of ben je er zelf soms één?
Held word je niet zomaar en toch ook weer
wel. Het kan je overkomen als een ziekte,
stom toevallig, zonder dat een mens
begrijpt waarom nou uitgerekend jij –

Je bent geen held als je je groot houdt
en niet bang bent en niet boos. je bent
een held wanneer je zegt: dit is heel slecht
en daarom maak ik er het beste van.

Je bent een held als je gewoon je kaarten
pakt en speelt. Hoe het ook afloopt, voor
een held is het spel pas over als het over is,
geen tel daarvoor. Hoor je? Geen tel.
Ingmar Heytze. Uit: Helden, UMCO, 2007.

Wachten
Zit ik weer
op de stoep

te wachten tot ik wegloop
of terug naar binnen ga.

Soms kijkt mijn zusje
om de hoek, ben ik er nog?

Altijd krijg ik zo
een hekel aan mezelf.

Ook al méén ik
dat ik hier zit

en zo meteen
echt wegloop,

echt eindelijk wegloop,
nooit meer terugkom

toch heb ik liever
een zusje dan niemand.
Diet Groothuis. Uit: Waar ik ben, ill. Merel Eyckerman. De Eenhoorn, 2012.

Opa wijst naar waar de
hoge bomen staan.
Kijk, zegt hij ontdaan,
ginder vliegen leeuwen.
Hij trekt aan zijn sigaret
en begint te zweten.
Opa bedoelt het goed,
weet wel hoe het moet,
maar zegt in zijn
hoogsteigen alfabet
dat leeuwen vliegen.
Is dit liegen?
Nee hoor.
Hij zoekt gewoon naar
meeuwen. Hapert,
wil het van de daken
schreeuwen
terwijl het in zijn hoofd
zacht begint te sneeuwen.
Pat Donnez. Uit: Kwam dat zien, kwam dat zien. Querido 2008.
Meer van Pat Donnez op: http://www.patdonnez.be/
Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.