Circusdirecteur en andere gedichten voor kinderen

Diet blogt

Oei wat een mooi boek!! Zo mooi dat ik het er toch over wil hebben, ook al staat er geen wóórd in. Dit boek roept alle prachtige woorden in je hoofd wakker. Maak zelf maar een gedicht of nee maak maar heel veel gedichten bij dit boek. Elke bladzij een feest van kleuren, rare beesten, gekke vormen, vreemde verhalen. ‘s Nachts naast je bed zetten en dan fijn dromen! Boven je bureau hangen kan ook.

Een ijsbeer zit op de rug van een walvis, een bruine beer komt aan in een raar bootje. De ijsbeer is in een boomhut geklommen, de bruine beer kruipt er gezellig bij. Als het water is gezakt komen er allerlei dieren bij in de boom: honderdduizend flamingo’s, een neushoorn, twee panda’s, een pauw, drie uiltjes en een nijlpaard. Een ooievaar, spreeuwen en nog een beer. Dan gaat iedereen weer weg. Daag! Behalve de ijsbeer en de bruine beer. Die gaan sneeuwvlokken in hun visnet vangen en naar de maan kijken.
De boomhut. Marije en Ronald Tolman. Lemniscaat, 2009.

Eén gedicht is nooit genoeg-
tienduizend evenmin.
Het moet opnieuw, opnieuw
opnieuw moet iemand schrijven
hoe verliefd, verdrietig, blij
hij -steeds opnieuw moet iemand
daar woorden voor zoeken en
die moeten bij elkaar zoals
ze nog nooit hebben gestaan

Iemand moet dit lezen.
Steeds op nieuw
voor het eerst.
Kees Spiering. Uit: Woordkok, Ton Honig. Illustraties Sophie van Boven. Bakermat, 2009.
Wat is een woordkok?
Nou?? Een dichter natuurlijk! Die maakt mooie, lekkere dingen van woorden. Er is een heel grappig boek verschenen over chef-kok Woordkok en zijn koksmaatje Kees die in hun restaurant de heerlijkste dingen maken. Maar als ze Rijmsma als nieuwe overbuurman krijgen, die De Hippe Hap, een snackbar in “kleine ‘hap slik weg rijmpjes’ begint, gaat hun restaurant steeds slechter lopen.
Woordkok begint te twijfelen. “Misschien was het afgelopen met de poëzie, dacht hij. Wie weet…hingen gedichten straks alleen nog in de glazen vitrines van een stoffig museum.” Maar gelukkig worden de gasten van de Hippe Hap getroffen door het blablavirus en komt het helemaal goed met Woordkok, Kees en hun versjesrestaurant. Door het verhaal heen vind je veel mooie gedichten gevlochten.
Woordkok kan alleen doorgaan met zijn werk als er steeds nieuwe dichters bijkomen. Misschien ben jij dat wel! Op www.woordkok.nl kun je je gedichten achterlaten, tips vinden en gedichten van anderen lezen.

Heb je lekker lopen knallen met Oudjaar? Dan is dit gedicht echt iets voor jou:
Oudjaar
Opblijven…
eten…
tv en geknal
(van vuurwerk vooral)

dat is de TOP VIER van PLEZIER
voor iedereen.
Behalve voor de dieren.

Doodsbange katjes,
doodsbange hondjes: waar moeten die heen
aan het eind van alle lontjes?

Nergens.
En dat lijkt ons dus ergens
de TOP ÉÉN van GEMEEN.
Dit gedicht is van Edward van de Vendel en staat in zijn spiksplinternieuwe bundel met stripgedichten Draken met stekkers. Je leest het goed: STRIPGEDICHTEN! Dat zijn gedichten in een stripboek boordevol superleuke tekeningen van Floor de Goede en  knettergekke gedichten over muggenoma’s die je komen lekprikken, misdadige moeders en schuilhuisje-capuchons. Dit is – kortom – een boek dat je niet wilt missen.
Hier is nog een gedicht:
Jij wil een prijs
Jij wil een prijs.
Voor Beste Jongen of zo.
Maar je wil geen tekening maken…
of dansen in een show.

Je zegt: Ik ben toch goed in vrolijkheid?
In lachen en in spelen?
En je brak laatst je eigen record in vervelen.
Vervellen!
Dat kun je! In de zomer met lappen.
En slijmen. En zeuren. En geheimen verklappen.
Je bent ook heel goed in GEBRUL en GEBONS
Dus: wat moet er gebeuren
voor je goud krijgt…
of brons?

Nou…eh niets!
Dus ja – van harte dan maar.
Want je bent het geworden!
ROTKIND VAN HET JAAR
Edward van de Vendel& Floor de Goede. Uit: Draken met stekkers. Querido, 2010.
De gedichten zijn geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Van de schildpad en de haas.
Er loopt een schildpad door het bos.
Hij beweegt zich rustig voort over het gladde mos.

De schildpad is vanmorgen vroeg opgestaan,
om naar het feestje van de bevers toe te gaan.

Maar daar komt konijn, die snelle vent,
zomaar de schildpad, ZOEFFF, voorbij gerend.

Hij kijkt nog even om, in zijn gejakker,
En is toen op een boom geklapt, de stakker.

En de schildpad, met zijn tergend langzaam gaan,
Kwam zo toch als eerst op het feestje aan.
Björn Canfijn, Kruisland. Nogmaals gefeliciteerd! Als het goed is heb je het boek ‘Boven in een groene linde zat een moddervette haan’ inmiddels gekregen.

Weet je wat ik wil?
Een eigen broer.
Dat vind ik stoer.
Een opa die komt zingen.

Een dikke kus.
Een lieve zus.
Om touwtje
mee te springen.

Een bord vol ijs.
Een bord vol friet.
En heel veel
appeltaart.

En verder graag
Een lieve hond.
Met kwispels
in zijn staart.
Johanna Kruit. Tekeningen Annemie Heymans. In: Twee kusjes in een doosje. Maretak, 2002.

Middenin de winternacht
holt een dikke witte man
holt een dikke witte man

Het is een dikke sneeuwman
met zijn pijpje van hout
een dikke dikke sneeuwman
achtervolgd door de kou

Hij komt aan in een dorpje
hij komt aan in een dorpje
hij voelt zich opgelucht
want daar brandt nog licht

Een van de huizen
gaat hij binnen zonder kloppen
Een van de huizen
gaat hij binnen zonder kloppen
en om zich te verwarmen
en om zich te verwarmen
gaat hij op de hete kachel zitten
en plotseling is hij verdwenen
en ligt middenin een waterplas
alleen nog zijn pijpje
alleen nog zijn pijpje
en zijn oude jas…
De Franse dichter Jacques Prévert heeft het gedicht geschreven, Wim Hofman heeft het vertaald. In: We schilderen een vogel. Querido 2001.
Dit gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Het varken en het zwijn

Een wild zwijn dat leefde in de bossen
moest hard werken elke dag
tussen varens tussen mossen
zocht het of er eten lag

het groef en wroette in de grond
in de regen in de zon
net zo lang tot het wat vond
wat als voedsel dienen kon

dan leek het varken beter af
elke dag een trog vol voer
was voor hem bepaald geen straf
zomaar gekregen van de boer

tot op een dag de slager kwam
en het varken werd geslacht
in stukken spek en stukken ham
dat had het nou toch niet verwacht
Henk Oortgijs, Zutphen
De drie exemplaren van ‘Boven in een groene linde zat een moddervette haan’ van Sieb Posthuma, Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen zijn door uitgeverij Gottmer opgestuurd naar de prijswinnaars. Van harte gefeliciteerd.

Bij wijze van uitzondering vandaag geen gedicht maar een verhaal.

Het bezoek van de dieren
Er waren allerlei dieren die graag het kindje Jezus wilden zien. Daarom vroegen ze aan de os en de ezel of die aan Jozef wilden vragen of dat mocht. Nadat Jozef ja had gezegd, gaf de os een mak en snel paard de opdracht om de volgende dag iedereen uit te nodigen die wilde komen.
De os en de ezel vroegen zich af of ze ook wilde dieren moesten toelaten, en ook dromedarissen, kamelen en olifanten, alle dieren die er door hun bulten en slurven, hun grote knoken en massa’s vlees een beetje verdacht uitzien. Hetzelfde gold voor griezelige dieren, zoals schorpioenen, tarantula’s, reuzenspinnen en adders, die in hun klieren dag en nacht gif aanmaken, zelfs ’s morgens als alles nog schoon en fris is.
Maria aarzelde niet. ‘Jullie kunnen ze allemaal laten komen. Mijn kind is in zijn kribbe zo veilig alsof hij in de hoge hemel is.’ ‘Maar wel één voor één,’ zei Jozef op bijna militaire toon. ‘Er mogen niet twee dieren tegelijk door de deur. Anders zie je door de bomen het bos niet meer.’
Er werd begonnen met de giftige dieren. Iedereen had het gevoel dat ze een dergelijke genoegdoening wel verdienden. Opvallend was de tact van de slangen. Ze vermeden het om Maria aan te kijken en bleven een eind uit haar buurt. Daarna namen ze zo rustig en waardig afscheid alsof het duiven of waakhonden waren.
De honden konden het niet laten uiting te geven aan hun bevreemding dat zij niet in de stal mochten wonen, zoals de os en de ezel. Als antwoord kregen ze van iedereen een vriendelijke aai. En zo gingen ze dankbaar weer weg.
Maar toen de os en de ezel de lucht van de leeuw roken, werden ze onrustig. Vooral omdat die lucht probleemloos de wierook, de mirre en de andere geuren overstemde die de koningen kwistig verspreid hadden.
De os had er wel waardering voor dat Maria en Jozef zo goed van vertrouwen waren, maar dat ze zo’n kind, zo’n teer vonkje, in aanraking brachten met een dier dat het in één adem uit kon blazen…

De leeuw kwam binnen met zijn manen die nooit door iemand anders waren gekamd dan door de woestijnwind. Zijn weemoedige ogen zeiden: ‘Ik ben de leeuw, kan ik het helpen? Ik ben maar de koning der dieren.’
Je zag dat zijn grootste zorg was om zo weinig mogelijk plaats in de stal in te nemen, en dat viel niet mee. Hij deed vreselijk zijn best om adem te halen zonder iets in de war te brengen, en om zijn klauwen en zijn enorm gespierde kaken te vergeten. Hij naderde met neergeslagen ogen en verborg zijn prachtige gebit alsof het een afschuwelijke ziekte was.
Hij deed zo bescheiden dat hij blijkbaar hoorde tot het ras van leeuwen die op een dag zouden weigeren de heilige Blandina op te eten. Maria had met hem te doen, en wilde hem geruststellen met een glimlach die ze anders alleen voor het kind overhad. De leeuw keek recht voor zich uit met een blik alsof hij, nog wanhopiger dan eerst, wilde zeggen: ‘Wat kan ik eraan doen dat ik zo groot en sterk ben? Jullie weten dat ik altijd door honger en door de open lucht werd gedreven als ik me op een prooi stortte. Jullie kennen toch ook het probleem van iedere jonge welp. We hebben allemaal geprobeerd om planteters te worden, maar planten zijn niets voor ons, we kunnen ze niet verteren.’
Toen boog hij zijn reusachtige kop met de wijduitstaande haren en ging verdrietig op  de harde grond liggen. De kwast van zijn staart zag er net zo triest uit als zijn kop. Hij was omgeven door een grote stilte die iedereen ontroerde.

Toen de tijger aan de beurt was liet hij zich op de grond vallen en maakte zich even zo plat dat hij van pure bescheidenheid als een beddenkleedje voor de kribbe lag. Maar meteen veerde hij alweer op, hernam zijn soepele en goed getrainde vorm, en verdween.
De giraf liet heel even zijn poten in de deuropening zien en iedereen vond dat dat kon worden aangemerkt als een bezoek aan de kribbe.
Hetzelfde was het geval met de olifant: hij nam er genoegen mee op de drempel te knielen en met zijn slurf te zwaaien als met een wierookvat, wat bijzonder in de smaak viel.
Een schaap dat dik in de wol zat wilde meteen geschoren worden, maar men liet het zijn vacht, onder vriendelijke dankzegging, behouden.

Moeder kangoeroe wilde Jezus per se een van haar kinderen geven. Ze zei dat het geschenk uit haar hart kwam en dat ze het makkelijk kon missen, omdat ze thuis nog meer kleine kangoeroetjes had. Maar Jozef wilde er niets van weten en ze moest haar kind weer meenemen.
De struisvogel had meer geluk. Ze legde in een onbewaakt ogenblik een ei in de hoek en verdween geruisloos. Het cadeau werd pas de volgende dag ontdekt door de ezel. Hij had nog nooit zo’n groot en hard ei gezien en dacht dat er een wonder was gebeurd. Maar Jozef hielp hem uit de droom: er werd een omelet van gebakken.
De vissen, die vanwege de betreurenswaardige manier waarop ze adem moeten halen niet uit het water konden, hadden een meeuw opdracht gegeven hen te vertegenwoordigen.
De vogels lieten bij hun vertrek hun gekwinkeleer achter, de duiven hun liefdesliederen, de apen hun apenstreken, de poezen hun warme blik, de tortelduifjes hun zoete stem.

Er gebeurden ook wonderen: de schildpad haastte zich, de leguaan veranderde van houding, het nijlpaard knielde op allersierlijkste wijze neer, en de parkieten hielden hun snavel.
Jules Supervielle. Uit:  ‘Le boeuf et l’ane de la crèche’ in L’enfant de la haute mer. Gallimard 1931-1958. Vertaling Elly Schippers voor ‘Sneeuw op de vensterbank’, verhalen, liedjes en gedichten voor de winter, sint en kerst. Samenstelling Rotraut Susanne Berner en Jacques Dohmen. Querido 2002.
Dit fragment is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.