Kijk, wie vliegt daar in een rondje?
Muggemietje zonder mondje.
Muggemietje heeft een rietje
en dat steekt ze, als ze dorst heeft,
in je arm of in je knietje,
omdat kleine Muggemietje
niet van kaas en niet van worst leeft,
maar van bloed via een wondje,
ook al vind je dat niet goed,
want ze zegt: ‘Wat moet dat moet.
Ik kan niet leven zonder bloed.

Heerlijk,’ zegt ze, ‘dank je wel
voor de druppels uit je vel.
Is er nog een kind dichtbij
dat geen prikje kreeg van mij?
O,’ zoemt ze, ‘wat is het fijn
om een blije mug te zijn.’

En zo vliegt ze verder rond,
op zoek naar kin of kuit of kont.
Misschien komt ze op bladzij negen
wel iets overheerlijks tegen.

BAM!
[…]
Ted van Lieshout. Uit: De gemene moord op Muggemietje. Leopold, 2020.
Wie na dit citaat denkt te weten wat dit voor boek is, wordt verrast tijdens het verder lezen, hoewel  lezers van Ted van Lieshout altijd enigszins verdacht zijn op onverwachte wendingen.  De vraag blijft: is dit een (soort) prentenboek,  poëzie, een whodunnit, een rechttoe rechtaan verhaal?

Op de pagina na bovenstaand citaat staan de letters Muggemietje, rondgestrooid naast, onder en in een enorme bloedvlek. De kinderen in de klas geven het boek de schuld van de moord op Muggemietje en verbannen het naar de kast.  Maar dan klagen de letters van het boek het boek  zelf aan:
‘O, hadden wij maar in een ander boek gestaan! Duizenden boeken op de wereld, en waar staan wij in? Juist, in een boek dat een moordenaar is! En het ergste is: wíj zijn onschuldig. Wij hebben niks gedaan. Maar omdat wij in Boek staan, hebben wij óók straf!’
Lijkt dit op van Lieshouts vorige boek ‘Ze gaan er met je neus vandoor’, hier gaat van Lieshout een stap verder. Niet de letters zijn schuldig, maar het boek zelf. Dat levert merkwaardige en grappige situaties op.
Er valt sowieso bovengemiddeld veel te genieten. Allereerst van de heerlijke vormgeving, de contrasterende kleuren, gulle letters en typografie, de ingenieuze, gekke plot- en verhaalwendingen. Maar lezers van dit boek zullen zich toch vooral laven aan de taal, die royaal en aanschouwelijk is, onverbloemd, grappig en smeuiig.  Er staat geen woord, of letter, te weinig of te veel in het boek (hoewel op pagina 65  onbedoeld  een letter r mist).
Ritme en rijm zijn vernuftig en vlekkeloos, de alfabetisch allitererende scheldkannonades hilarisch, de onderliggende woordgrapjes wrang (Muggemietje, in de kast, uit de kast), de ondertoon schurend.
Fijn boek voor fijnproevers.
Leeftijd 9+.

 

 

[…]
Mijn moeder is psycholoog.
Jawel, wees maar eerlijk. Ik hoor het je al zeggen:
‘OMG’.
Wacht even, want het wordt nog erger. Ze is namelijk ook nog eens pedagoog. Dat betekent dat ze verstand heeft van kinderen.
[…]
Arja Veerman. Uit: Show Up! Clavis, 2020. 
De derde jeugdroman van Arja Veerman begint als Sophie haar dagboek kwijt is. Het  dagboek waar ze al haar liedjes in schrijft, inclusief het liedje waarmee ze het schoolconcert hoopt te winnen.
Haar moeder denkt dat Sophia het dagboek gebruikt om  haar gevoelens in op te schrijven. Maar gevoelens, daar heeft Sophia niet zoveel mee.
Sophia is  een prettig inleefbaar tienerpersonage, die in eigenwijze, eigentijdse taal haar belevenissen en problemen uitkraamt. Lezers zullen ervan smullen, vooral ook door de vele sarcastische tienergrappen die Veerman door haar tekst weeft.
Leeftijd: 10+

Warm nest
Angst is een lieve moeder. Zij zorgt goed
voor mij, kookt graag veel en gevarieerd
wast jassen uit, strijkt ruzies glad, vouwt
paraplu’s bij voorbaat open, schrijft lief
afwezigheidsbriefjes aan onbezonnen voornemens,
maakt nog dagelijks mijn onbeslapen bed op.

Moeders kunnen bang zijn als het
om hun kinderen gaat. Voor je het weet
hebben zij een vertrouwen te pakken.
Daar moet je geen grapjes over maken.

[…]

Hemel
En maar reiken
naar de hemel
en maar reizen
naar de maan.

En maar altijd
hogerop
altijd verder
willen gaan.

Willen
schitteren
als sterrren.

Willen
stralen
als de zon.

En maar staren
met zijn allen
naar een stuk systeemplafond.
Erik van Os. Uit: Had ik maar leuke kinderen. Gedichten en gezongen gedichten. Rubinstein, 2019.
Familie kan je leven flink onderuit schoffelen, tot verminkens toe. De gedichten in deze bundel – die op Spotify gezongen te horen zijn – getuigen er op pijnlijke en indringende wijze van.
De auteur schrijft in het voorwoord dat hij gelukkig erg leuke kinderen heeft en de titel niet op hen slaat, hoewel de gedichten doen vermoeden dat de schrijver uit ervaring spreekt, als kindpersonage, wat ze mogelijk nog pijnlijker maakt.
Verhulde woede, omfloerst cynisme, ingevreten verdriet, bijvoorbeeld over een vader die niet luistert of een vader als gapend gat, een moeder die graag brave dochters en zoete zonen om zich heen ziet en die vraagt of de ik in het gedicht zich daar ook eens aan zou willen houden.
Geen zoete versjes dus, maar schrijnende teksten, van een auteur die we vooral kennen van prentenboeken en gedichten voor jonge kinderen, samen met zijn vrouw Elle.
Leeftijd: 18+

Een tulpenbol met tulp en al
ligt weerloos op het pad.

Een egel rustig ritselend
onder stapels eikenblad.

Kiemen doen hun stinkende best
tussen keutels paardenmest.

Een hommel op een goudsbloem
voert zoemend zijn gesprek.

Een worm stribbelt tegen
in een hongerige bek.

Drie slakken laten gaten na
in alle blaadjes babysla.

Een virus is op oorlogspad
gaat grenzeloos zijn gang.

De lente komt en is en blijft
voor niets en niemand bang.
Elle van Lieshout. Uit: Dichter. Gedichten voor kinderen van 6-106. Corona, de wereld staat stil en op zijn kop. Plint, 2020.