Het mooie dorpje Mooiezon

Het is ochtend in het mooie dorpje Mooiezon.
En alles klopt.
[…]
Das heeft een nachtje niksdoen nodig.

Hij werkt de hele dag.
Hij zou weleens in een  hotel willen slapen.
Wie heeft er een hotel?

Edward van de Vendel. Uit: Het mooie dorpje Mooiezon. Tekeningen Suzan T’Hooft. De Eenhoorn, 2018.
In het begin klinkt het dorpje Mooiezon zo lieflijk als het paradijs. Iedereen werkt hard, iedereen helpt elkaar,  niemand is jaloers. En dan wordt het feest.
Maar daar komt de spreekwoordelijke slang de sfeer verpesten, en dan blijkt het in Mooiezon toch niet helemaal koek en ei. Totdat… ja totdat ook dat probleem wordt opgelost.
Er is veel te zien in dit prentenboek. De pastelkleurige potloodtekeningen schitteren door een veelheid aan details en door dieren met inleefbaar afwisselende emoties in hun gezicht. Knap gedaan. Het verhaal kent een moraal: elkaar helpen loont, en naar elkaar luisteren levert iets op.
Een zoet boek, zonder randjes.
Leeftijd 4+

Waar ik weg waai

Onderweg

Het begint als je geboren wordt, tot je boven de sterren bent gekomen.

Van A naar B, je bent bijvoorbeeld van bed onderweg naar
school of werk met of zonder files, of weer van school en
werk terug naar huis om je bed weer op te zoeken.

Van 27 december tot 26 december, ben je onderweg naar
Kerstmis, daarvoor heb je bijna een heel jaar nodig.

Wally Kieboom. Uit: Waar ik weg waai. 156 gedichten van mensen met een verstandelijke handicap. Stichting Special Arts, 2018. Ingeleid door Esther Naomi Perquin, Dichter des Vaderlands.
Wie denkt dat gedichten schrijven een hoogdravende bezigheid voor alleen heel speciale types is, zou eens gedichten moeten schrijven met kinderen. Of met zomaar een stel volwassenen.
Of eens de bundel ‘ Waar ik weg waai’ lezen,  van Stichting Special Arts uit Amersfoort.
Het liefst wil ik blijven citeren uit deze bundel, waarin mensen met een verstandelijke handicap verrassende, speelse, inventieve, grappige, indrukwekkende gedichten publiceren.
Luikjes van taal gaan open, betekenissen veranderen, werkelijkheid wordt herschapen, taal wordt vloeibaar. Verheug je over onverwachte wendingen en conclusies en de prachtigste, vaak zintuiglijke beelden en omschrijvingen.
Hier nog een gedicht:
Bril
ik heb een bril
met een koordje

dan kan ik de bril
niet verliezen

met de bril
kan ik goed zien

voor het slapen gaan
doe ik de bril in een koker

mijn ogen krijgen
elke avond zalf

ik kan mijn ogen
niet zelf sluiten.
Ward Oude Vrielink.

De maagden moeten bloeden

Lola beter
Mijn klas mag Jumbo welkom heten,
wij kinderen van Amsterdam. Heel stil
staan we in twee rijen langs de papagaaienlaan,
maar de papagaaien krijsen:  blauw, groen, rood
Een gele vrachtwagen stopt voor de poort
waar de adelaars van koper schetteren in de zon.

In dat kabaal gaat de laadklep open, daar komt ze
op haar puppypoten, haar kop verstopt onder
de oksel van haar oppasser, haar wapperslurf
in zijn achterzak en een bang bungelend touwstaartje.

Ik heb haar rug geaaid. Wat pluizige haartjes leken
was harder dan de nagelborstel thuis.
Jumbo was een slechte naam, Lola beter.
Haar flesje dronk ze op zijn schoot.
De arme man ging bijna dood.
Het olifantje was nog klein,
maar voor een mensenschoot te groot.

Katelijne Brouwer. Uit: De maagden moeten bloeden. De Harmonie, 2018.
Geen lichte kost, deze bundel van Katelijne Brouwer. Gedichten over moeders en dochters,  seks en dood, over ziek zijn, missen. Lekkende borsten, afscheid en vergankelijkheid. Maar ook gedichten over dieren in Artis, als hierboven.
Dit is geen kinderbundel, maar voor – rijpe – tieners goed te doen, vooral door de rauwheid, ranzigheid zelfs hier en daar, al zitten ze wellicht niet te wachten op formuleringen als ‘je borsten huilden stromen witte melk’.
Brouwer schept  een beeldend mini-universum, onontkoombaar als het leven  en even wrang en onverbiddelijk soms. De gedichten schuren, liefkozen en wringen, in taal die van goudvloeiend naar alledaags gaat en terug, met soms net iets te gemakkelijke of te snelle conclusies. Toch, alles bij elkaar, een spannende nieuwe stem aan het dichtersfront.

Ben ik dan een vogel?

Een vis in een vijver.
Zijn gladde huid glinstert,
hij zwemt naar links, hij zwemt naar rechts.
Hij hapt hapt stukjes uit de lucht
en stofjes die op het water liggen.
Kleine Marilou staat bij de vijver.
Haar huid is glad, ze rent naar links, ze rent naar rechts.
Ze lacht, ze hapt hapt stukjes uit de lucht.
‘Dag, vis.’
‘Dag, kleine Marilou.’
‘Wat doe jij, vis?’

Vera Marynissen. Uit: Ben ik dan een vogel. Illustraties Sylvia Weve. Querido Kinderboeken, 2018.
Elk kind vraagt het zich van tijd tot tijd af: wat of wie ben je eigenlijk? Op wie lijk je? Wat moet je allemaal doen om jou te zijn?
Als je dan  een vogel of een vis, een bloem of een schaap in de buurt hebt kun je zomaar denken dat jij er ook een bent. Marynissen werkt dit gegeven subliem uit in glasheldere, korte poëtische teksten. In opvallende, grote stripachtige tekeningen verbeeldt Weve dit, even helder, iets minder poëtisch, maar zeer aansprekend. Fijn voorleesboek.
Leeftijd: 3+

Vlinders in het mijnenveld

In de kast
Soms kan ik de kast niet in
is ze gekaapt door mijn zus.

Soms zitten we allebei een potje
te zwijgen tegenover elkaar

en luisteren en ademen de kleren
van papa in en uit. En soms zeggen we

een woord en lachen even donker.
Soms ben ik verdrietig als ik uit de kast

Mama zal me nooit storen als ik
bij papa want soms hoor ik haar

in de kast.

Daniël Billiet. Vlinders in het mijnenveld. Uitgeverij De Draak, 2018.
Deze nieuwste dichtbundel van Daniël Billiet opent met een Waarschuwing!: 
Deze gedichten zijn niet bestemd
voor overgevoelige jongeren.
Of ouderen.
Ook de meest fantasierijke gedichten
zijn gebaseerd op ware feiten.
Het is geen overbodige raad. Billiet dicht over, en voor,  jongeren die flink wat te verstouwen hebben: armoede, huiselijk geweld, tienerzwangerschappen, anorexia, eenzaamheid en ga zo maar door. Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen (is dat net zo iets als de Nederlandse Kinderombudsman?) heeft het voorwoord geschreven en soms staan er statistische gegevens onder de gedichten, zoals bijv. dat in Vlaanderen 1 op de 5 kinderen onder de armoedegrens leeft.
Ook al kunnen sommige gedichten daardoor zwaar op de maag komen te liggen, dit is geen zware bundel. Billiet houdt de toon licht, vlecht vakkundig humor door de gedichten en schrijft ook vrolijke flierefluitverzen als De meeneemzeemeermin die leeft tussen ‘dansjes van zeewier en het gezang van vele kleuren’ en ‘Nu en dan’ over verliefd zijn.
De titel ‘Vlinder in het mijnenveld’ is dan ook helemaal raak en taalvaardigheid en -plezier spatten van de pagina’s.
Fijn, deze nieuwe bundel van Billiet, bij een onbekende uitgever notabene, die hem de ruimte gaf te sprankelen als vanouds.