Soms kun je de slaap niet vinden.
Niemand die je troosten kan.
Ook een man kan soms niet slapen.
In de nacht huilt soms een man.

En de dag maalt door de nacht,
maalt van alles wat je dee
tussen grote molenstenen,
en je hersens malen mee.

De nacht is voor de denkenden.
Ook al willen ze niet,
ze moeten – steeds weer.
Je dankt dat je denkt,
maar je kunt niet meer denken,
en daar denk je dan over
– steeds weer.

Maar dan komt de nieuwe dag:
geur van eieren en spek.
En de zon, de zon, de zon die glimt
als een lade vol bestek.
Sjoerd Kuyper. Uit: Fanfare, Leopold 2002/Al mijn later is met jou. Samenstelling Edward van de Vendel, ill. Susanne Rotraut Berner.

De kameel heet wel
het schip van de woestijn,
daar kan ieder over meepraten
die op zo’n beest gezeten heeft.
Je zit hoog op een stoel
als het ware, je gaat
wel heen en weer, maar je voelt
je daarbij op je gemak,
terwijl in de diepte de
kop van het beest
gelijkmatig naar voren glijdt
als de boeg van een
roeiboot, met schokjes.
Gerrit Krol. Uit: Polaroid gedichten 1955-1976. Querido, 1976.

een zucht is onzichtbaar
net als de wind
de nacht is onzichtbaar
als de dag begint
onzichtbaar zijn de dingen
die ik kwijt ben
die ik nooit meer vind
maar
met mijn ogen dicht
zie ik alles
wat mijn hoofd verzint
Hans en Monique Hagen. Uit: Jij bent de liefste, Querido, 2000/Wat je ziet zit in je hoofd. De 100 mooiste kindergedichten van nu. 
Samenstelling Jan van Coillie, illustr. Kristien Aertssen, Davidsfonds/Infodok, 2011.


Vandaag is in Nederland de Nationale Actiedag voor hulp aan de Filipijnen vanuit Centrum voor Beeld en Geluid in Hilversum. Giro 555. Geld, hulp. En een beetje verbeelding.

De storm zet zijn mond aan het huis
en blaast om toon te krijgen.
Ik slaap onrustig, draai mij om, lees
met gesloten ogen de tekst van de storm.

Maar de ogen van het kind zijn groot in het donker
en de storm, voor het kind buldert hij.
Beiden houden van slingerende lampen.
Beiden zijn halfweegs de taal.

De storm heeft kinderlijke handen en vleugels.
De karavaan slaat op hol naar Lapland.
En het huis voelt zijn sterrenbeeld van spijkers
dat de muren samenhoudt.

De nacht heerst kalm over onze vloer
(waar alle verklonken voetstappen
als gevallen bladeren in een vijver rusten)
maar daarbuiten, wild is de nacht!

Over de wereld trekt een ernstiger storm.
Hij zet zijn mond aan onze ziel
en blaast om toon te krijgen. Wij vrezen
dat de storm ons leegblazen zal.
Tomas Tranströmer. Uit: Het Wilde Plein. Gedichten 1948-1990. Vertaling J. Bernlef. De Bezige Bij, 1992.

Het regent, het regent,
de wolken hebben verdriet.
Ze laten hun tranen vallen,
een zakdoek hebben ze niet.

Pestkop, pestkop
zet je rooie hoedje op
trek je blauwe mantel aan
dat we naar de zee toe gaan
honderd passen lopen
honderd passen vliegen
de golven zullen je wiegen
Paul Biegel. Uit: De Nederlandse Kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Verzameld door Gerrit Komrij. Prometheus, 2007.

Van de hoge, hoge bomen
vallen alle blaadjes neer.
Want de herfst is nu gekomen,
paddenstoelen zijn er weer.

Op de padden-, paddenstoelen
zitten zeven dwergen neer
en ze zingen: O Sneeuwwitje,
kom je van de winter weer?
Koos Meinderts. Uit: De liedjesalmanak. Herfst en Winter. Illustraties Annette Fienieg. Uitgeverij Rubinstein, 2013.
Oude, bekende én nieuwe liedgedichtjes van Koos Meinderts, over de herfst en de winter, voor feestdagen als Dierendag, Sint Maarten, Lucia, Kerst, oudejaarsdag en Driekoningen en voor zomaar die dagen dat de bladeren van de bomen vallen en de appels uit de lucht. 
Annette Fienieg vindt zichzelf opnieuw uit met rake, verrassende, poëtische tekeningen. Op de bijgeleverde cd zingen Leine, Peer de Graaf, Thijs en Sofokles Borsten de liedjes op muziek van Thijs Borsten. 
Ik kijk nu al uit naar het lente-en zomerboek.

Je naam

Ik noem je naam,
vandaag, morgen,
volgend jaar.
Ik roep je vaak, zo hard
ik wil.  Ik schreeuw je
van  de daken.
Ik huil, raas, fluister,
aarzel, stotter, stamel,
schater, zoen en zing je naam.
Vallende blaadjes wapperen
je naam. Vogelveertjes
ritselen je naam.
Wolken zwiepen hem mee. In leeuwenkuilen,
muizenholen, op de bodem van de zee:
je naam.
Regendruppels drinken hem op weg
naar de oceaan. Ook de maan knipoogt
‘s avonds laat jouw naam.
En door het raam, tegen vergeten,
schijnt als een nieuwe ster in neonletters
aan de lucht hoe je altijd zult heten.
Diet Groothuis. Uit: Waar ik ben. Illustraties Merel Eyckerman. De Eenhoorn, 2012.
Het is vandaag en morgen Allerheiligen/Allerzielen. Dan herdenken mensen over de hele wereld hun doden. In sommige landen gaan ze met z´n allen naar de begraafplaats, versieren de graven, zetten kaarsjes neer, maken muziek en eten samen. In Nederland wordt het feest vooral in (katholieke en protestantse) kerken gevierd en minder op begraafplaatsen. Maar wie weet, komt dat nog. 

Hier vind je meer informatie over dit feest: Allerheiligen/Allerzielen

Ik zat binnen, opgesloten
in een veel te warme klas
en hoorde in de verte vragen
wat een lijdend voorwerp was.

Vingers schoten in de lucht,
de mijne deed niet mee.
Ik klapwiekte naar buiten
met de meeuwen mee naar zee.

Ik landde in de duinen,
rolde kopje naar het strand.
Ik holde langs de vloedlijn
door het harde, natte zand.

De zee die rook naar vrijheid,
naar ver weg en nooit meer terug.
Ik rende alsmaar sneller
met de zeewind in mijn rug.

Ik ben blijven rennen
tot ik buiten adem was.
Ik liet me languit vallen
en schrok wakker in de klas.

De bel die had geklonken,
het was tijd voor speelkwartier.
De meester zei: ‘Naar buiten,
wat doe jij nog langer hier?’

Ik bleef liever binnen, zei ik,
omdat ik niet lekker was.
‘Ik vond je,’ zei de meester,
‘al wat afwezig in de klas.’

Ik zat binnen aan mijn tafel
en voelde met mijn hand
dat mijn broekzat vol zat
met het allerfijnste zand.
Koos Meinderts. Uit: Verdriet is drie sokken. Tekeningen Annette Fienieg. Lemniscaat, 2008.

een vos in het bos
een vos zit in een hok.
‘nee,’ huilt de vos.
‘hier hoor ik niet.
ik wil weer naar het bos.’
hij neemt een mes,
doet de v weg in zijn naam,
en lijmt er een l aan.
‘ha ha ha,’ zegt de vos.

nu is de vos los.
gauw naar het bos!

keer mij om
kap is pak.
en kat is tak.
lip is pil
en lik is kil.
rook is koor.
en rood is door.
ik ben tom.
keer mij om.
dan ben ik mot.
ik ben raar.
keer mij om.
het is waar.
ik ben weer raar.
Riet Wille. Uit: Die hoed zit goed. Illustraties Annemie Berebrouckx. De Eenhoorn, 2013.
Kinderen die van taalspelletjes en woordgrapjes houden zitten goed met dit boek. Over de 50 gedichten en tekeningen die samen een onlosmakelijk geheel vormen. Leeftijd: 4+. AVI M3 niveau/oud AVI 1.

Wie knipt de tenen van de reus?
Ik niet.
Wie krabt de watten van zijn neus?
Ik niet.
Wie schrobt zijn oude rug?
Wie snijdt zijn luizen-haar
en veegt dat smerig boeltje
met de handen bij elkaar?
Mij niet gezien.
Iemand van jullie misschien?

Wie van jullie hier aanwezig,
zeg me dat eens snel,
maakt er al zijn oren schoon
en snuit zijn snottebel?
Jij niet?
Niemand?!
Viezeriken!
Ik wel!
Ienne Biemans. Uit: Met mijn rechteroog dicht, mijn linkeroog open. Leopold, 2001.