Berichten

Poetsvrouwen

Oud
Ze telt het vallen van blaadjes achter haar raam,
trekt haar stoel soms nog de kamer uit want
alles is beter dan muren die je niet zelf hebt uitgekozen.

Iedereen sterft hier langzaam.
De dood en de geur van schoonmaakmiddelen
verschuilen zich onder de vloertegels,
dikke vrouwen in te groot gegroeide huiden
dwalen door de gangen, grijpen met geklauwde handen
naar stevige armen voor houvast.

De kleinkinderen komen eens in de twee weken langs,
smeken om ijsjes en krijgen dan muntgeld,
er is hier geen speeltuin in de buurt.

Maaike Rijntjes. Uit: Poets!vrouwen. Uitgeverij Monnier, 2016, inleiding Ellen Deckwitz. Poets!vrouwen is een project van de Poëziemarathon georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Groningen (SLAG). 
Een bloemlezing met gedichten van vrouwelijke dichters uit Nederlands noordelijkste provincie. Over geheugen en herinneringen, treinreizen en bang zijn, vergeten en vergeten worden. Bieden deze dichters een eigen kijk op de werkelijkheid? Ja zeker, even divers en veelkleurig als ze zelf ongetwijfeld zijn, maar met duidelijk hoorbare vrouwenstemmen.
Wat dat zijn? Stemmen over de levens van vrouwen, simpel gesteld. Of die anders zijn dan de levens van mannen, daarover verschillen de meningen, maar het is beslist verfrissend om de gedichten te lezen en te merken dat vrouw worden in deze poëzie een thema is, zoals in deze regels van Ellen Deckwitz: “Nu ben ik tien en heb ik geen idee/waar vrouwen worden gekweekt.”

Zilveren Griffel voor Doodgewoon

Als je nou eens niet kon sterven,

zou je dan op zwemles gaan?
Van de hoge duikplank duiken?
Zeilen zonder zwemvest aan?
Op de hoogste bergen klimmen?
Op de smalste richels staan?
Langs de diepste kloven lopen?
Was daar dan nog wel wat aan?
Als je nou eens niet kon sterven,
was vakantie dan nog fijn?
Zou je je nog steeds verheugen
op dat reisje met de trein?
Zou je van het strand genieten?
Van de zee, de zonneschijn?
Van de ijsjes, van de frieten?
Zou je dan gelukkig zijn?
Bette Westera. Uit: Doodgewoon. Illustraties Sylvia Weve. Gottmer, 2014.
Bette Westera wint met dit boek de Zilveren Griffel voor poëzie 2015.  

Nooit denk ik aan niets

Ik zie
honderd kleuren blauw
korenbloem kobalt en pauw
zee azuur en ijs
hemels hel vergeet-mij-niet
ik zie ik zie
wat jij niet ziet
je ogen zijn het mooiste blauw
ik kijk het liefst naar jou

Ik zie
honderd kleuren rood
kersen kreeft koraal pioen
klaproos knal en vermiljoen
bloed tomaat en vuur en biet
ik zie ik zie
wat jij niet ziet
de kleur is rood ik hou van jou
en jij van mij… of niet
Hans en Monique Hagen. Uit: Nooit denk ik aan niets. Tekeningen Charlotte Dematons. Querido, 2015.
Na vorige succesbundels als ‘Jij bent de liefste’ (2000) en ‘Van mij en van jou’ (2007) hebben Hans en Monique Hagen opnieuw een heerlijk boek afgeleverd. Trefzekere poëzie met gedichten voorzichtig als vraagtekens of glimmend als bellenblaas maar soms ook stampend als een kwade mannetjesolifant: is god gemaakt van lucht of van wens? en is er een hemel en waar dan wel?, of ‘Boos’: rode knetter dynamiet/takkenbijter kakkepiet/stekkert kukert slakkensop/de boze bui knalt uit mijn kop/hou op hou op hou op. 
Ritmisch en in (spaarzaam) rijm en ogenschijnlijk eenvoudige maar oh zo muzikale taal worden grote thema’s op filosofische wijze aangesneden: ‘wat is nul en wat is niets/wanneer is ooit wanneer is nooit/en waar is nergens/dat moet ik nog bedenken’.
Maar ook alledaagse dingen komen voorbij, zoals slapeloosheid in het prachtige ‘Lam ram ooi’ waar schapen tellen alleen maar tot verder wakker worden leidt: ‘vijftien twintig/hiphop lam/veertig vijftig/dikzak ram/achtentachtig/honderd ooi/ik raak mijn tel kwijt/door die schapen/ik raak mijn slaap kwijt/in het hooi.’ 
De tekeningen van Charlotte Dematons, bekend van haar Sinterklaasboeken, ‘De gele ballon’ en het sublieme ‘Nederland’ verbeelden de gedichten niet alleen uitzonderlijk goed maar vertellen het daarnaast het verhaal er vlakbij of omheen. Dematons is grootmeester in details, zoals de vlinder die pas op de pagina ná de brandneteltekening met rupsgaatjes bij het gedicht ‘Vlinder’ te zien is. Of de beer die vaak terugkomt in de tekeningen en halverwege het boek een lief eigen gedicht blijkt te hebben, met achterin het boek een onverwachte wending. 
Dematons gaat verder dan in haar eerder genoemde boeken: heldere, sterke, soms van Gogachtige tekeningen wisselt ze af met dromerige pastelplaten en krachtige, bijna propere, beelden. 
Als dit boek geen prijzen gaat winnen, weet ik niet welk boek wel.
Bovenstaand gedicht is geplaatst met toestemming vooraf van uitgeverij Querido.

Zo mooi anders. Een gedichtenprentenboek

Koppig
En, wat zien we?
-Een konijn natuurlijk!
-Een konijn. En?
-En? Ik zie een konijn.
-En tegelijkertijd een…?
-Konijn zeg ik toch!
-Eend.
-Eend?
-Oren snavel zie je wel?
-Ik zie alleen een konijn.
-En een eend.
-Een konijn!
-Eend!
-Konijn!
-Konijn konijn konijn!
Mustafa Stitou. Illustratie Martijn van der Linden. Uit: Zo mooi anders. Een gedichtenprentenboek. Lemniscaat, 2015. 
Goed idee: een gedichtenprentenboek op groot formaat, waarin illustratoren van naam en faam hun lievelingsgedicht voorzien van beeld.  Zo tekent Marijke ten Cate de wind uit een gedicht van Wim Hofman, maakt Linde Faas een melancholische plaat bij ‘Kom terug’ van Toon Tellegen, voorziet Georgien Overwater ‘De sprookjesschrijver’ van Annie M.G. Schmidt van een nieuwe jas en schept Martijn van der Linden een nieuw beest bij bovengenoemd gedicht van Mustafa Stitou. Sommige tekeningen zijn geslaagder dan andere. Bart Moeyaerts ‘Siberie’ roept bij mij warmere en vrolijker beelden op dan de dramatische pluizenstorm die Ingrid Schubert er van maakt, maar daar staat Sanne te Loos ingetogen doch absoluut geweldige plaat bij Hans Hagens ‘Verf, steen of klei’ tegenover.
Mijn favoriet is Dieter Schuberts Blauwbilgorgel, die er nooit meer anders uit zal zien dan als deze dikbillige, bolwangige  vrolijkerd met trompetjes op zijn hoofd. 
Jammer van de wat nietszeggende titel en het saaie omslag. Maar dat is dan ook het enige aan dit boek dat jammer is.